Pagina:Jacob Daalder-Vogelkiekjes (1910).pdf/16

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

8

Gelukkig, het dier weet de open plek weder te bereiken, waar het zal kunnen wegduiken, wanneer de belagers opnieuw verschijnen. Want zeker zullen de bonte kraaien, die in den winter de ergste roofvogels zijn, niettegenstaande de wetenschap ze onder de zangvogels rangschikt, terugkeeren.

 

 


II.


Jacht op Wilde Zwanen.


„Oe-hoe-wie-joe!" Als een dichter zijn zwanenzang zingt, is hij gewoonlijk droevig gestemd, maar meer melancholisch klinkt nog het „oe-hoe-wie-joe", dat de wilde zwanen des winters op de Waddenzee laten hooren. En wanneer het ijs tot bergjes opgehoopt is, ontdekt men niet zoo spoedig de groote, witte vogels, die in kleine vluchten tusschen de ijsheuvels hun voedsel uit het water opdiepen.

Daar ligt de witte boot, waarmede we de zwanenjagers zullen vergezellen. Maar zoo kunt ge niet mee gaan in uw donkergekleurd kostuum! Ge hebt daar over aan te trekken een lang wit kleed, dat ge, zoo noodig, van beddenlakens kunt formeeren. Over onze bonte mutsen komen witte doeken, en zoo ook zijn de jagers gekleed, die hun geweren grootendeels met wit omwikkeld hebben. En zoo nemen we plaats in de witte boot, die nu eens door het open water geboomd en soms ook over een ijsveld getrokken moet worden.