Pagina:Keulemans Onze vogels 1 (1869).djvu/121

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd


Het geluid der jonge Pimpels klinkt minder helder dan dat der ouden en, even als dat van de Gewone Mees (Parus major), eenigzins schor.

De jongen van het eerste broeisel zwerven in elkanders gezelschap, die van het laatste met de ouden rond, door wie zij nog eenige dagen worden gevoerd. In het najaar vereenigen deze vogels zich in troepjes met de Gewone, de Zwartkop- en Staartmees, alsook met andere trekkende vogels. In het late najaar, wanneer de bladeren reeds van de boomen zijn gevallen en de vogels talrijker en beter waar te nemen zijn, ontmoet men niet zelden zwermen trekkende of zwervende vogeltjes, waaronder Winterkoningen (Regulus cristatus), Goudhaantjes (Regulus ignicapillus), Staartmeezen, Gewone en Zwartkopmeezen, Roodborstjes, de zoo eigenaardige Klein-Jan of Sluiper (Troglodytes europæus), en eindelijk de Pimpels, die wel het voornaamste gedeelte van zulk eene vliegende kolonie uitmaken. Zulke troepen trekken niet in eene bepaalde rigting voort, maar verhuizen slechts bij geringe afstanden. Somtijds verlaten de Gewone Meezen het gezelschap, maar de Pimpels, althans de meeste hunner, blijven den geheelen winter bij den troep. De Zuidelijker trekkenden kunnen alleen de laatgeboren jongen zijn, die nog niet geruid hebben; want dezen zouden het in hun zomerpak des winters hier te koud krijgen.

In levenswijze hebben de Pimpels veel overeenkomst met de Gewone Mees, van wie zij echter in karakter wel min of meer verschillen; zij zijn namelijk nog vrolijker, nog levendiger en onrustiger, en ook vertrouwelijker en minder brutaal, dan hun groote geslachtsgenoot; ook zijn zij lang niet zoo bloeddorstig als deze, maar liefelijker en zachtzinniger, veel teêrder en daardoor ook minder geschikt om in gevangenschap te leven. Tegen den Steenuil zijn zij even verwoed als de overige Meezen; zij blijven het langst in zijne nabijheid en schijnen daarbij, wat plaagzucht betreft, alle andere Meezen te overtreffen. Hun stemgeluid is zachter en liefelijker dan dat van de Gewone Mees, hoewel het daarmede in vele opzigten, zoo als in het zoogenaamde schateren en in het slepende gewone geroep, eenige overeenkomst heeft. In het voorjaar echter hoort men van den Pimpel een geluid, dat andere Meezen nimmer laten hooren, namelijk de helder klinkende, eenigzins tremolerende liefelijke zang van het mannetje.

Men vangt deze vogeltjes in het najaar met den meezenknip, en ook zeer goed met den lijmstok. Eigenlijk zijn het vooral de Pimpels, waarvan men zich op laatstgenoemde wijze meester maakt. Gevangen zijnde, hebben zij de gewoonte, elkander in het schoonmaken der veêren (die door de vogellijm bemorst zijn) te