Pagina:Keulemans Onze vogels 1 (1869).djvu/131

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd


De Staartmeezen broeijen tweemaal gedurende den zomer; de jongen van het eerste broeisel blijven bij de ouden totdat er een tweede broeisel komt, waarvan de jongen met de ouden wegtrekken of tot in den winter rondzwerven.

Men vangt de Staartmeezen in menigte op de lijmstokken, met den Uil en ook (even als de Sijsjes) met den lijmhengel. Meestal vangt men eerst de ouden. Zoodra er een gevangen zit, laat hij een geluid hooren, dat men alleen dàn verneemt, wanneer hij in gevaar verkeert. Dit geluid is trillend en bestaat in het schielijk herhalen van de klanken dzirrhihihi! Op het hooren van dezen angstkreet komen de overigen allen naar hun gevangen makker toevliegen, ontzien geene gevaren en schijnen zoo met hem bezig te zijn, dat zij hunne eigen veiligheid vergeten en bijna met de hand te vangen zijn. Ditzelfde neemt men waar, wanneer men het nest ontdekt. Ofschoon hun gewoon geroep met dat van den Pimpel overeenkomt, en hunne lokstem bijna niet van die der Dennen-Mees (P. ater) te onderscheiden is, hoort men nimmer een dergelijk geluid van eenige andere Meezensoort.

In de gevangenschap dienen zij insectenvoeder en eene groote kooi te hebben, wil men ze in 't leven houden.