Pagina:Keulemans Onze vogels 1 (1869).djvu/18

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd


De meeste Uilen broeijen in holen, hetzij in aard- of boomholen, gaten van muren, spleten van bergsteenen en rotsen, onder steenen of onder de uitstekende wortels van groote boomen. De eijeren zijn over het algemeen wit en bijna rond.

De meeste soorten kunnen ook bij dag zien, ofschoon hunne oogen hun dan slecht ter dienste staan. Het best zien zij in de schemering of bij maanlicht.

De Uilen kunnen veel voedsel in eens verslinden en daarna lang (sommigen wel veertien dagen) vasten. Hun voedsel bestaat uit muizen, hagedissen, vogels, en eenige groote soorten rooven ook jonge hazen, konijnen en ratten. Zij drinken zelden, en de onverteerbare zelfstandigheden van verslonden dieren spuwen zij als harde proppen uit.

In bijna alle landen der wereld komen Uilen voor; op vele kleine eilanden schijnen zij echter te ontbreken, en in sommige streken worden zij gedeeltelijk door de Nachtzwaluwen (Caprimulgus en Podargus) vervangen. In Europa vindt men de volgende: de zoogenaamde Groote Hertog (Strix bubo of Bubo maximus), de Middelste Hertog, ook Hoorn-, Oor- en Ransuil genoemd (Str. otus of Otus vulgaris), de Kleine Hertog (Str. scops of Scops zorca), de Velduil (Str. (Otus) brachyotus). Deze soorten worden Ooruilen genoemd, omdat hun kop met twee hoorntjes of liever pluimpjes, uit veêren bestaande, versierd is. Van de Gladkop-Uilen worden in Europa nog aangetroffen: de Kerkuil (Str. flammea), de Boschuil (Str. aluco), de Sneeuwuil (Str. nyctea), de Havik-Uil (Str. (Surnia) ulula), de Noordsche Boschuil (Str. (Ulula) lapponica), waarvan nog eene verwante soort, de Ulula uralensis, de Dwerguil (Str. (Athene) passerina), en eindelijk de Steenuil (Str. (Athene) noctua).

Hier te lande komen niet al deze soorten voor; bij ons vindt men zoo veel Uilen niet, ofschoon wij er toch eenige hebben.

Daar deze vogels, met uitzondering van den Steenuil, minder in den smaak van vogelliefhebbers vallen, bepalen wij ons alleen tot dezen, te meer daar hij eene groote rol in de vogelvangst speelt.

Strix noctua beteekend Nachtuil. De naam „Steenuil" is waarschijnlijk afkomstig van zijne voorliefde om in oude kerktorens, gaten van muren of in 't algemeen op steenen gebouwen te vertoeven. Verkeerdelijk worden de wetenschappelijke naam „Strix passerina" en de inlandsche naam „Katuil" voor deze soort gebezigd.

Het is een standvogel, dien men, vooral in den trektijd der kleinere vogelsoorten, langs boschjes of nabij boomgaarden en boerenwoningen kan aantreffen.