Pagina:Keulemans Onze vogels 1 (1869).djvu/19

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd


Tusschen de seksen is geen verschil in kleur op te merken; zeer oude voorwerpen, vooral wijfjes, worden eenigzins lichter van kleur; de vlekken komen bij dezen minder uit en trekken meer naar het bruine; de jongere voorwerpen, vooral die van den vorigen zomer, zijn daarentegen scherper geteekend.

De broeitijd der Steenuilen duurt van Mei tot Julij. Zij broeijen slechts eenmaal 's jaars, en bouwen hun nest, uit eenige dunne doode takjes bestaande, in holle boomen, soms onder daken van huizen of in gaten van muren, en vooral van oude kerktorens. Het wijfje legt drie à vijf glazig witte, nagenoeg ronde eijeren. Het mannetje is bij dag gewoonlijk nabij of naast het nest, maar schijnt, voor zoover men weet, niet in het broeijen behulpzaam te zijn; althans heeft men nog nooit broeivlekken bij hem waargenomen. Evenmin kan nog met zekerheid bepaald worden, hoe lang bij hen het uitbroeijen der eijeren duurt; trouwens, daar het Nachtvogels zijn, valt het uit den aard der zaak moeijelijk, deze en andere bijzonderheden na te gaan.

De jongen zijn bij hunne geboorte met een wit dons bedekt; zij kunnen niet vóór hun zesden of achtsten dag zien; ook bij hen is de oogrand geel. Het wijfje voedt hen met stukken gerooiden buit, liefst van jonge vogels. Als een of ander gevaar het nest bedreigt, vliegt ze er op, keert zich op den rug en houdt de pooten tot den aanval gereed.

Het geluid van dezen Uil, dat de vogelaars „blaffen" noemen, is scherp en op een verren afstand hoorbaar.

Men vindt, behalve in den paartijd, zelden twee voorwerpen bij elkaêr. Bij dag kan men den Steenuil half sluimerende, meestal op een wilgenknot, zien zitten; men loopt hem echter gewoonlijk voorbij; doch zoodra hij eenig geritsel hoort, vliegt hij eensklaps op en vlugt naar eene nabijgelegen, liefst beschaduwde plaats. Hij is schuw, vliedt het zonnelicht en het gezelschap van andere vogels, door welke hij dan ook bij dag altijd vervolgd wordt, zoodra zijne schuilplaats ontdekt is. Maken zij het hem al te lastig, dan draait hij zich om, drukt het ligchaam naar beneden, rekt zich op eens weêr uit en maakt allerlei potsierlijke bewegingen; daarbij blaast hij als eene kat, en wanneer hij op 't laatst de vlugt moet nemen, blaft hij als een jonge hond.

Hoewel het een sterke vogel is, dient men toch zeer veel zorg aan hem te besteden, daar hij anders spoedig kwijnt en sterft. De vochtigheid doet hem steeds onaangenaam aan, zoodanig zelfs dat, wanneer hij geheel natgeregend of in water