Pagina:Keulemans Onze vogels 1 (1869).djvu/20

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd


gedompeld is, hij in de meeste gevallen binnen eenige uren sterft of in eene flaauwte valt, waarin hij dikwijls blijft. Ook wanneer men hem bij dag te veel in zonnelicht plaatst, wordt hij ziek of treurig; daarom houde men hem in eene donkere kooi en plaatse die zooveel mogelijk in de schaduw. Baden doet hij zich zelden, zoodat een waterbakje in de kooi overtollig is; evenwel kan men hem nu en dan water voorzetten, omdat hij soms drinkt, vooral dàn, wanneer hij met raauw vleesch gevoêrd wordt, dat voor hem een goed voedsel is, mits men het fijnhakke en er veêren onder menge; want bij gebrek aan haar of veêren kunnen zich bij den Uil geene groepen vormen, gelijk in den natuurstaat geschiedt.

Strenge koude of sterke warmte schijnen den Uil niet te schaden; ook kan hij wel eenige dagen zonder voedsel blijven, mits men hem later een zooveel grooter rantsoen toediene. Een vogel ter grootte van eene huismusch of twee à drie veldmuizen daags zijn toereikend om hem in 't leven te houden; men houdt hem echter zelden langer dan vier jaren, en de meesten sterven reeds binnen het jaar.

Indien men den Uil bij de vogelvangst wil bezigen, moet hij vóór dien tijd eenigzins aan de gevangenschap gewend zijn, daar hij anders te schuw is. Jong gevangen voorwerpen zijn dus hiertoe het meest geschikt. Nadat hij daags te voren geen of weinig voedsel ontvangen heeft, sluit men hem in eene donkere kooi of mand op, na aan zijn poot, boven den hak, een zeemlederen bandje bevestigd te hebben; aan dit bandje wordt een koperen ring en, als men op de vangst uitgaat, aan den ring een acht à tien voet lang koord vastgemaakt.

De vangst wordt door drie personen verrigt; de eerste draagt de mand met den Uil, de tweede houdt de lijmstokken gereed, en de derde draagt eene kooi met Meezen of Pimpels als lokvogels. Men gaat nu hiermede volgenderwijze te werk. Zoodra men eenige kleine vogels in de boomen ontwaart, en deze door de medegenomen lokvogels aangefloten worden, zet men de mand op den grond en laat den Uil, die er door het koord aan vast is gebonden, naar buiten komen. Deze vliegt dan meestal op of springt, zoo ver het koordje reikt, vooruit, hetgeen gewoonlijk voldoende is om hem door de nabij zijnde vogeltjes te doen opmerken; zien deze hem echter nog niet, dan laat men hem nog eens opvliegen of houdt hem voor de lokvogels, die dan beginnen te schateren. Te gelijk met de mand, worden door den tweeden vogelaar de lijmstokken neêrgezet, in dier voege, dat zij buiten 't bereik van den Uil, maar toch ook niet veel verder staan. Hierbij valt nog op te merken, dat de stokken altijd zóó geplaatst moeten worden, dat ze in