Pagina:Keulemans Onze vogels 1 (1869).djvu/209

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd


Wanneer de jongen het nest verlaten, is het zwart aan hun bovenlijf nog zeer gering en veel fletser; het bepaalt zich alleen tot een smallen band over de borst; het wit aan hun kop ontbreekt, terwijl de grijze tinten meer naar het graauwe trekken, en bek en pooten lichter gekleurd zijn dan die der ouden.

De volwassen Kwikstaartjes paren reeds in Maart en broeijen in het laatst van April. Zij bouwen hun nest, al naar de omstandigheden, in gaten of scheuren van oude muren, onder rieten daken of dakpannen, in wijde boomholen of op wilgenstammen, tusschen de planken aan houtzagerijen, of zelfs in aardholen. Eens ontdekte ik een nest in een mollengat. dat zeker niet minder dan drie voeten onder de oppervlakte van den grond was. De Kwikstaartjes nestelen eigenlijk overal, waar zij eene geschikte plaats daarvoor vinden. De materialen voor den nestbouw zijn gewoonlijk hooi of fijne, doch lange plantenvezels; soms ook paardenhaar, koehaar of wol; veêren en allerhande pluis worden voor het binnenwerk gebezigd. Even als de broeiplaatsen, zijn ook de bouwstoffen naar plaats en omstandigheden verschillend. De eijeren bieden insgelijks eenige verscheidenheid in kleur aan, hetgeen waarschijnlijk is toe te schrijven aan het verschil van het voedsel der ouden. Elk broeisel bevat vier à zes eijeren, niet zeer puntig, vrij lang, gewoonlijk ligt grijs en met kleine, smalle, overlangsche bruine en graauwe streepjes gelijkmatig als bezaaid. Zij worden in dertien dagen door beide ouden uitgebroeid, doch meer door het wijfje dan door haar echtgenoot, die dan 's nachts wel in de nabijheid blijft, doch nimmer op het nest komt. Het mannetje brengt, in de eerste dagen, ook voedsel voor de jongen aan; zoodra dezen echter eenige dagen oud zijn, laat hij dien arbeid aan het wijfje over.

Het voedsel voor de jongen bestaat in kleine spinnen en rupsen, en vooral in muggen, die het wijfje behendig vangt; zij keert niet naar het nest terug, vóórdat zij er een twintigtal gevangen heeft. Het is daarbij zeer opmerkenswaardig, dat deze vogel den bek kan openen om insecten te vangen, zonder echter die insecten, welke hij reeds in den bek heeft, te verliezen; waarschijnlijk worden dezen door een kleverig speeksel vastgehouden.

De ouden eten allerhande insecten, als wormen, rupsen, maden, vliegen enz., en in het koude jaargetijde ook beziën en zelfs broodkruimels.

De zang dezer vogels is zeer eenvoudig en bestaat alleen in het schielijk herhalen van hun gewoon, zeer bekend geroep, dat zij steeds onder het vliegen laten hooren; ook onder het loopen roepen zij, vooral de mannetjes, wanneer