Pagina:Keulemans Onze vogels 1 (1869).djvu/208

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd


deelingen, ofschoon, volgens bedoelde geleerden, de eerstgenoemden meer op den grond en de laatstgenoemden vooral op de boomen zouden leven, welk onderscheid dan ook door hun naam wordt aangeduid.

De Gewone of Witte Kwikstaart is een echt Hollandsche vogel, die nergens in zoo grooten getale wordt aangetroffen, als bij ons. Hij schijnt dan ook hier bijzonder wel te kunnen aarden, en inderdaad blijven velen dezer vogeltjes hier overwinteren. Hieruit blijkt ook, dat zij liefst die streken bezoeken, waar overvloed van water met begroeide oevers, alsmede weiland en laag hout wordt aangetroffen. In de boomen komen zij echter alleen om te rusten, en in de bosschen vindt men hen slechts bij uitzondering.

Zij dragen, naar gelang van het warme of koude jaargetijde, een verschillend kleed. Het prachtkleed, dat zij van half Maart tot October dragen, is steeds fraaijer dan hun wintertooi. Uiterlijk verschil tusschen de seksen bestaat er bij hen bijna niet. In hun pracht- of zomerkleed hebben zij de keel tot aan de borst en het achterhoofd zwart, de voorhelft van den kop met de wangen en een streep in den hals wit. In hun winterkleed is het zwart minder uitgebreid, terwijl de kleuren over het geheel fletser zijn en de snavel meer naar het graauwe trekt. De overgang van zomer- tot winterkleed geschiedt gedeeltelijk door ruijing, gedeeltelijk door langzame verandering van kleur. De voorwerpen, die men van omstreeks half Februarij tot Maart opmerkt, zijn dan ook onregelmatig zwart gevlekt, en bij hen is de overgang het zomerkleed duidelijk zigtbaar. Na de ruijing komt echter nog dikwijls eene geringe kleursverandering op den bovenkop, ook krijgen sommige voorwerpen van het laatste broeisel uit den vorigen zomer hun prachtkleed eerst later, of gedurende den tweeden zomer slechts onvolkomen.

De jongen van het eerste broeisel, uit denzelfden zomer, hebben in het eerstvolgende najaar een kleed, hetwelk met het winterkleed der ouden gelijkstaat. Die van het tweede broeisel blijven het geheele jaar door tot aan de volgende lente fletser dan de eerstgenoemden; zijn zij eerst laat in den zomer geboren, dan krijgen zij het eerste jaar geen winterkleed, maar gaan in den volgenden zomer uit hun onvolkomen gevederte in hun zomerkleed over; evenwel zijn zij dan nimmer zoo zwart als de oude voorwerpen.

Bij gunstig warm weêr, heeft er soms een derde broeisel plaats, waarvan de jongen in den regel kleiner zijn, in den volgenden zomer slechts onvolkomen of liever zwakker gekleurd blijven en dikwijls niet vóór het derde jaar paren.