Pagina:Keulemans Onze vogels 1 (1869).djvu/243

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd


de mannetjes wordt de bek geheel geel, bij de wijfjes blijft hij meer graauw.

In September, of tegen het einde van Augustus, keeren de Spreeuwen, na eenige weken te hebben rondgedoold, naar hunne broeiplaatsen terug; jongen en ouden blijven dan in de nabijheid van het vroeger betrokken nest den trektijd afwachten, als wanneer zij zich in troepen vereenigen, die binnen eenige weken tot duizenden aangroeijen. Zulke zwermen blijven tot half November bij elkaêr, bewegen zich in allerlei wendingen door de lucht, vallen soms eensklaps op een weiland of in het lage hakhout neder, en slapen 's nachts in het riet of in het lage elzenhout. In het voorjaar, wanneer zij zich afzonderen, kruipen ze 's nachts onder daken of in boomholen.

In gevangenschap zijn het aardige vogels, die spoedig, mits men ze jong verkregen heeft, verschillende aria's leeren fluiten en uit eigen beweging allerhande geluiden nabootsen. Men kan hun ook eenige woorden leeren klappen. Oud gevangen zijnde, worden zij zelden zoo leerzaam; daarom zijn die, welke men van jongs af heeft opgevoed, vooral die van het eerste broeisel, het meest geschikt voor de kooi. Zij zijn bijzonder oplettend, mak en vertrouwelijk, en worden gewoonlijk zeer oud. Het beste voedsel bestaat in gekneusd hennepzaad, kruimels brood, fijn gesneden stukjes raauw vleesch of half (en zonder zout) gekookt kalfshart; men kan er ook een weinig fijn rivierzand en in het voorjaar eenige miereneijeren onder mengen; als er geen miereneijeren te krijgen zijn, geeft men hun dagelijks een paar meel- of aardwormen; zij drinken gaarne melk.—Als men hun een graszoodje in de kooi geeft, schijnen zij al zeer in hun schik. Ook houden zij veel van baden, en loopen liever vrij door de kamer, dan in de kooi opgesloten te zijn. Wanneer zij zich zoo vrij kunnen bewegen, ontwikkelt hun verstand zich bijzonder; zij onderzoeken dan al wat hun vreemd voorkomt, en geven door gebaren en verschillende geluiden hunne verwondering, vrees of tevredenheid te kennen.

Ik had een Spreeuw, die, wanneer ik aan het middagmaal zat, zich op tafel voor mij plaatste en geduldig bleef wachten tot ik een stukje voor hem afzonderde, dat hij echter niet wegnam vóórdat ik het op den rand van mijn tafelbord had neergelegd, 's Nachts sliep hij op den rand van een spiegel. Als het hard regende, zat hij soms uren lang onbewegelijk voor het venster. Kwamen er vreemden binnen, dan kroop hij onder eene kast, vanwaar hij nu en dan even met den kop onder uit kwam kijken, doch niet eerder te voorschijn trad, dan nadat