Pagina:Keulemans Onze vogels 1 (1869).djvu/250

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


vogelsoorten. Vandaar dan ook, dat hij in de kooi, vooral indien er andere vogels in de nabijheid zijn, slechts zelden zingt, en in de volière nooit meer dan zijne lokstem of gewoon geroep laat hooren. Om hem in gevangenschap tot zingen te brengen, dient men hem dus in eene kleine kooi, en 's zomers altijd buiten te houden, liefst zóó dat hij over eene ruime vlakte en vooral den morgenstond kan zien. Daarom laat men hem 's nachts maar buiten hangen.

Men voert hem 't best met witzaad, eenig jong groen en bij afwisseling een weinig maan- of papaverzaad of havergort.

Als deze vogels lang in gevangenschap verkeerd hebben, worden zij wel eens donker, soms geheel zwart. Zijn zij jong gevangen, dan worden zij nooit zoo fraai geel, als hunne in de vrije natuur rondvliegende soortgenooten. Zeer oude mannetjes worden soms geheel geelbruin op den rug, en verliezen dan de donkere vlekjes op het achterhoofd. Witte variëteiten zijn, voor zoo verre bekend is, niet aangetroffen, en het schijnt dat zij, even als de Sijsjes en meer andere vogels met gele veeren, wel in het zwarte, maar nooit in het witte verkleuren.

De zoo wonderlijk fraai gele voorwerpen, die wij dikwijls bij vogelkoopers zien, zijn geene oude voorwerpen of gele verscheidenheden, maar zoogenaamd geknipte, van welke men namelijk de donkere puntjes der kop- en nekveêren heeft afgeknipt, om hun een fraaijer voorkomen te geven en ze daardoor des te beter aan den man te kunnen brengen.