Pagina:Keulemans Onze vogels 1 (1869).djvu/263

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


 

DE VINK.

FRINGILLA CŒLEBS.


De Vink is, van al onze inheemsche kamervogels, zeker de meest bekende. Hij is de grondvorm en de gemeenste soort van het zoo uitgebreide vinkengeslacht; het is een fraaije vogel, die zoowel om zijne kleuren als om zijn welbekenden zang algemeen geprezen wordt.

Hij heeft in vele steden van ons land verschillende bijnamen, als: Schildvink, Maanvink, Gewone Vink, enz., doch heet steeds „Vink", omdat zijn gewoon geroep als „fink, fink" luidt.

In het voorbijgaan zij gezegd, dat er in ons land slechts twee eigenlijke Vinkensoorten voorkomen, namelijk, de Gewone en de Keep (Fr. montifringilla), van welke ook is waargenomen, dat in den vrijen staat het mannetje der eerstgenoemde met het wijfje der laatstgenoemde soort somtijds paart. De overige Fringilla's zijn wel vinkachtige vogels, maar wijken in vele opzigten van den grondvorm af. Deze soorten dragen echter inlandsche namen, welke met die van hare familie (de Vinken) niets gemeens hebben, zoo als: Kneutje, Barmsijs, Sijsje, Groenling, Putter, enz. Ofschoon nu ook deze soorten tegenwoordig weder in ondergeslachten zijn verdeeld, blijven zij evenwel, door hun algemeenen vorm, tot de Vinken of vinkachtige vogels behooren, gelijk ook onze Huis- en Ringmusschen, welke echter weder eene eigen familie of ondergeslacht (Passer) uitmaken. Daarentegen worden vele vogels met den naam „Vink" bestempeld, zonder echter tot dat geslacht te behoren, b. v. de Goudvink, de Vlas- of Koevink (Motacilla flava), de Appelvink (Coccothraustes vulgaris), de Rietvink (Emberiza schoeniclus) en anderen.

De eigenlijke Vink bewoont bijna geheel Europa, tot zelfs het verre Noorden, doch komt minder in de Zuidelijk gelegen streken voor.