Pagina:Keulemans Onze vogels 1 (1869).djvu/274

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


eerst gevangene een wijfje is, vliegen de overigen meestal onmiddellijk weg. Dit is misschien daaraan toe te schrijven, dal deze vogeltjes alsdan nog ongepaard leven, en er bij een troepje meer mannetjes dan wijfjes zijn. Wanneer men zich daarentegen in het voorjaar met deze vangst bezig houdt, zal men juist het tegendeel ondervinden; als namelijk de vogels dan gepaard zijn, en men eerst een wijfje vangt, blijft gewoonlijk een der mannetjes in de nabijheid, waarschijnlijk omdat hij zich meer om het lot zijner wederhelft bekommert, dan de wijfjes in het najaar om de mannetjes.

Van de in het najaar gevangen vogels sterven er velen door te ruwe behandeling, en anderen doen zich zelven door gulzigheid den dood aan. Niettemin kunnen de Sijsjes, bij goede behandeling in de kooi, tot twintig jaar oud worden. Het meest geschikte voedsel is witzaad; gedurende het koude jaargetijde geeft men hun nu en dan een gekneusd hennepzaadje, en bij afwisseling elzenzaad. Des zomers is hennepzaad dikwijls nadeelig, omdat dit te veel verhit en opwekt; men kan dan de hun onthouden versnapering door een of ander jong groen, vooral het zoogenaamd Kruiskruid, vervangen.

De jong gevangen Sijsjes worden in de kooi nimmer zoo fraai, als de oud gevangene; bij de eersten blijft meestal de zwarte keelvlek geheel weg; sommigen echter worden, door het aanhoudend eten van hennepzaad, geheel zwart. Witte of vaalkleurige variëteiten worden niet waargenomen.

Het Sijsje zingt minder fraai dan de andere vinkachtige kamervogels; het is niettemin een onvermoeide zanger, die zich reeds in den vroegen ochtend en zelfs in den winter laat hooren; doch de liefhebbers houden dit vogeltje meer om zijne geaardheid, dan om zijn gefluit; want geen kooi-vogel wordt zoo mak en zoo vertrouwelijk, als het Sijsje.

Jong gevangen of uit het nest opgekweekte mannetjes paren somtijds later met het wijfje van den Kanarievogel. De daaruit voortgesproten bastaards hebben in hun zang meer van het Sijsje dan van het mannetje van den Kanarie; daarentegen zijn zij fraaijer gekleurd en vertoonen zij, naar mate van de kleur der Kanarie-wijfjes, dikwijls eene zeer zonderlinge combinatie van de teekening der beide ouden.