Pagina:Keulemans Onze vogels 1 (1869).djvu/273

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


De broeitijd der Sijsjes duurt van Mei tot Augustus. Hun nest, dat, hoewel iets kleiner, toch veel overeenkomst heeft met dat van de gewone Vink (Fringilla coelebs), bouwen zij op of tusschen takken van groote heesters of vruchtboomen, of ook wel op wilgenstammen. Het wijfje legt gewoonlijk tweemaal, namelijk tegen half Mei en in het begin van Julij, een vier- à zestal kleine, graauwwitte, rosachtig en graauw gespikkelde eijeren, en broeit ze in dertien dagen uit. Aanvankelijk vertoonen de jongen de fletse kleuren van het wijfje, en is ook hun bovenhoofd nog niet zwart. Tegen den tijd echter, dat zij het nest verlaten, zijn zij reeds meer gestreept dan de moeder, en nog in hetzelfde najaar komen bij hen de kleuren te voorschijn, welke de geslachten kenmerken, waarvan het onderscheid, gelijk ieder vogelliefhebber weet, zeer in 't oog loopend is. Het geel aan borst, keel en langs den kop is bij jongen van drie maanden reeds duidelijk zigtbaar; daarentegen is hun bovenkop dan nog slechts weinig donker gekleurd, en ontbreekt hun nog de zwarte keelvlek. In het tweede jaar zijn de jongen volwassen, ofschoon zij dan nog niet de zoo donkere tinten der tweejarige voorwerpen bezitten.

Men vangt de Sijsjes gewoonlijk op de vinkenbaan; de meest eigenaardige vangst geschiedt echter met den lijmstok (lijmhengel). In het najaar, van November tot Januarij, als deze vogeltjes in troepjes rondzwerven en zich meestal in het lage elzenhout ophouden, is het gemakkelijk, hen op die wijze te verschalken.

De vogelaars nemen tot dat einde een klein kooitje, waarin een wijfje zit, onder den linkerarm, of hangen het op den rug; in de regterhand houden zij een drie à vijf el langen stok (liefst elzentak), aan de punt van vogellijm voorzien. Het wijfje in de kooi verraadt door haar gefluit weldra de aanwezigheid van een troepje van hare soort, en de vogelaar nadert voorzigtig de plaats, waar de vrije vogeltjes zich ophouden. Hetzij nu dezen, nieuwsgierig naar het vogeltje in de kooi, en niet bevreesd voor den langen tak, dien de vogelaar in de hand houdt, komen aanvliegen, of wel rustig aan de elzenproppen blijven voorteten, in elk geval heeft dan de vogelvanger tijd genoeg, om met zijn lijmhengel een der vogels te naderen en hem even een tikje te geven. Dikwijls zelfs bemerken de vogels niet terstond, dat hunne veertjes vastgelijmd zijn; althans schrikken zij niet dadelijk. De vogelvanger haalt nu bedaard den gelijmden vogel van den stok af en plaatst hem in het kooitje bij het reeds gevangen wijfje.

Bij deze vangst is het raadzaam, alleen de mannetjes te kiezen; want, als de