Pagina:Keulemans Onze vogels 1 (1869).djvu/405

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


zich met hennepzaad, dat, vooral in het voorjaar, een uitmuntend voedsel is; hoewel zij sterk van gestel zijn, kunnen zij geen zwaar voeder verdragen.

De voorwerpen van het derde ras zijn iets kleiner dan die der beide voorgaande; het verschil in grootte schijnt zich echter hoofdzakelijk tot de lengte van ligchaam en staartpennen te bepalen. Zij dragen den staart bij het loopen even als het tweede ras. Niet alleen hebben de Doffers, en soms ook de Duiven, een eenigzins ontwikkelden krop, maar bij velen staan ook eenige nekveêrtjes min of meer overeind, waardoor zij wel eenige overeenkomst met de Meeuwtjes hebben; nogtans zijn zij geenszins door kruising met Meeuwtjes ontstaan, maar vormen zij een standvastig ras; dit blijkt hieruit, dat de jongen steeds volkomen aan de ouden gelijk zijn, hetgeen, indien het gemengde rassen waren, niet het geval zou zijn. Meeuwen, met Paauwstaarten gepaard, brengen jongen voort, die van de laatsten verschillen door het geheel of gedeeltelijk ontbreken van den paauw- of kalkoenachtigen staart. Nu kunnen soms wel door kruising ontstane voorwerpen met de hier bedoelde voorwerpen eenige overeenkomst hebben, maar dan nog zullen deze, wanneer zij ook zelfs den breeden staart behouden, toch nog kenteekenen dragen, die hunne onechtheid verraden. Wat hunne levenswijze betreft, hebben de tot dit ras behoorende voorwerpen veel overeenkomst met die van het tweede; de Doffers hebben echter (misschien wel ten gevolge van den krop) een grover stemgeluid.

Alle Paauwstaarten verlangen ruime tillen; zij verwijderen zich over dag dikwerf zeer ver van huis. Men voedt ze op gelijke wijze als de Raadsheeren.