Pagina:Keulemans Onze vogels 1 (1869).djvu/44

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd


hen alles behalve rustig vinden; zij vertoonen alsdan, wat hunne geaardheid betreft, zoo veel verschil met de voorwerpen, die in gevangenschap leven, dat wij zouden meenen, eene geheel andere vogelsoort voor ons te zien. Weinig vogelliefhebbers zullen echter neiging gevoelen, eene reis naar West-Afrika te ondernemen, alleen om het vrije leven dezer Parkieten van nabij te beschouwen.

Ik trof hen op het eiland St. Thomas bijna dagelijks bij geheele troepen aan, en was steeds verrukt wanneer ik er eenigen in mijne nabijheid zag. Ik noodig daarom ieder vogelliefhebber beleefdelijk uit, eens in gedachte met mij eene wandeling te ondernemen door de bosschen van dit door de natuur zoo rijk bedeeld eiland. Wij zullen nu genoeg Inseparables zien en vangen.

Vóór zonsopgang begeven wij ons op weg, en zijn na eenige minuten reeds tot diep in de wildernissen doorgedrongen. Stelt u een woud voor, waar bijna iedere boom eene eigen soort vertegenwoordigt, en al die boomen door eindelooze lianen zijn zaamgestrengeld. Deze boomen, die nog nooit door 's menschen hand gesnoeid of gekapt of, juister gezegd, „verminkt" werden, breiden hunne takken naar alle rigtingen uit en doorkruisen elkander dermate, dat men dikwijls velerlei bladeren op een en denzelfden boom aantreft. Op sommige plaatsen zijn zij zoo rijk van bladeren voorzien, dat de zwaarste regens er niet kunnen doordringen en dus de grond droog blijft. Daar kronkelen zich de breede takken dooreen en verduisteren het bijna onbegaanbare woud. De grond is met doode takken overdekt, waartusschen allerhande struiken en gewassen groeijen. Hier en daar, vooral in diepten, staat het droesige water tot eenige voeten hoog; doch de moerasplanten, waaronder Caladiums, wier bladeren tot drie voet lengte bereiken, bedekken dit water geheel, zoodat ge, eer ge 't weet, er in stapt en u dikwijls niet zonder moeite er weder uit kunt redden. De plantenweelde op en boven den grond is er zoo groot, dat er geen onbegroeid plekje meer te vinden is. Geen stap kunt ge voorwaarts doen, zonder over afgevallen takken te struikelen; uwe voeten glijden gedurig langs de kleine gladde steenen af, en telkens wordt ge door de slingerplanten als vastgebonden;—doch de moeijelijkheden, waarmede wij te kampen hebben, zullen weldra vergoed worden: nog een halve mijl verder het bosch in, en we zullen Parkieten te zien krijgen en er zoo veel vangen, dat ge over uwe onderneming meer dan voldaan zult zijn.

Wij hebben een negerjongen medegenomen, die de benoodigdheden voor de vangst draagt en ons naar eene kleine vlakte zal geleiden, waar zich, volgens