Pagina:Keulemans Onze vogels 1 (1869).djvu/461

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


Geheel zwarte tamme Hoenders kunnen als klimaatsvariëteiten, of als afwijkingen, ten gevolge van het voedsel, beschouwd worden. De geheel zwarte Hoenders zijn echter minder algemeen, en van slechts weinig Hoenderrassen zijn de voorwerpen geheel zwart. Op gelijke wijze, als, door kruising van voorwerpen, die onderling in gevederte en kleur verschillen, vele nieuwe tinten of kleurspelingen zijn ontstaan, zijn ook de verschillende vormen te voorschijn gekomen: groote voorwerpen zullen groote nakomelingen voortbrengen, en wanneer er door sommige omstandigheden kleinere of zwakkere individuen ontstaan, dan zullen dezen, gepaard met andere, eveneens kleine voorwerpen, ook een minder groot ras voortbrengen. Ditzelfde geldt ook voor den vorm, de breedte of lengte van kam en baarden bij de Hanen.

Daar nu de verschillende rassen steeds onder elkander gemengd zijn en onderling voorttelen, is het bestaan van de zoo menigvuldige rassen zeer begrijpelijk; ten gevolge van dezelfde oorzaak vinden wij ook zoo vele Hoenders, die gelijktijdig de kenteekenen van verschillende rassen aanbieden, doch juist daardoor niet tot een bepaald ras behooren. Verreweg de meeste Huishoenders zijn dan ook rasloos, d.w.z., behooren niet tot een bepaald ras. De hoenderkenners, kooplieden en liefhebbers noemen dus een ras „echt", wanneer de Haan met de Kippen de bepaalde kenteekenen van het soort (of ras) dragen. Als nu de Hoenderfamilie echt is, dan zullen gewoonlijk ook de daaruit voortgesproten jongen dezelfde kleuren als die der ouders dragen, ten minste wanneer de rassen, waartoe de ouden behooren, niet te kunstmatig zijn ontstaan. In het laatste geval krijgen de jongen dikwijls de kleuren van andere soorten, een gevolg van de geringe standvastigheid van het ras der ouden. Zoo b.v. hebben de jongen der Negerhoenders dikwijls roode wangen, ofschoon deze, volgens het raskenmerk, blaauw moesten zijn.

Onze gewone of Goudpelshaan, de echte Hofhaan of, nog liever, de Boerenhaan, wordt dikwerf voor echt gehouden, terwijl hij de echtheidskenmerken mist. Vele Hoenders mogen evenwel, ofschoon zij niet zoogenaamd echt zijn, fraaijer genoemd worden, dan die welke de vereischte kenmerken bezitten.

Onze Goudpelshoenders worden echt genoemd, als de Haan bijna geheel geelbruin is met bruin bronskleurige staart-dekvederen (wij bedoelen hiermede de lange gebogen veêren, die over den eigenlijken staart hangen); ook moet de kam dubbel, d.w.z., breeder of ten minste even breed als de kop zijn, voorts gekarteld aan de bovenvlakte, vleezig en stijf, en hoogrood van kleur; de naakte