Pagina:Keulemans Onze vogels 1 (1869).djvu/514

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


Ook wat de aanleiding tot het wegtrekken dezer vogels betreft, is men het nog alles behalve eens. Sommigen meenen, dat gebrek aan voedsel, anderen, dat koude hen daartoe aanspoort. Wel beschouwd, is echter noch het eene, noch het andere als oorzaak aan te nemen; immers, de meeste trekvogels verhuizen ofschoon er nog voedsel genoeg voorhanden is, en ofschoon zij—gelijk bij het toevallig overwinteren van sommige dezer voorwerpen gebleken is, en gelijk ik zelf ten opzigte van den Ooijevaar 's winters in de diergaarden hier te lande en in Engeland heb waargenomen—de koude van onze winters zeer goed kunnen verdragen. Ziehier intusschen, wat er, onzes inziens, van deze quaestie is. Zoo lang men van het standpunt uitgaat, dat zulke vogels bij ons te huis behooren, om in het najaar slechts voor eenigen tijd te vertrekken, zal men nimmer den regten weg ter opheldering vinden. Neemt men daarentegen aan, dat deze vogels in die streken, waar zij gedurende ons wintersaizoen vertoeven, inheemsch zijn, en dat zij slechts om te broeijen, en om voor hunne jongen geschikt voedsel te vinden van daar herwaarts trekken, dan, gelooven wij, zal men de verklaring van dit verschijnsel veel meer nabijkomen; want het verhuizen staat bij de meeste trekvogels veel meer in verband met de broeijing, dan met hun voedsel, laat staan dan met de koude.

Wij zouden echter te veel van ons onderwerp afwijken, en moeten dus hiermede van deze quaestie afstappen, daar zij ons de grenzen van Onze vogels in huis en tuin verre zou doen overschrijden. Derhalve, wat inzonderheid de Ooijevaars betreft, nog slechts het volgende.

Hun voedsel bestaat uit visch, reptilen, muizen en groote insecten; in tijd van nood ook dood aas. In gevangenschap geeft men hun visch en kleine stukjes raauw vleesch. Het zijn zeer oplettende, vertrouwelijke vogels. Behalve in diergaarden en groote tuinen, kan men ze moeijelijk voor liefhebberij houden; want opgesloten zijnde, raken zij aan 't kwijnen, worden vuil en zijn dan veeleer lastig dan aangenaam.