Pagina:Keulemans Onze vogels 1 (1869).djvu/513

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


zich in troepen en zwerven dan eenigen lijd heen en weder. Telkens voegen zich kleine en grootere troepen bij zulk eene steeds aangroeijende bende, en dan draaijen en keeren zij zich eenige uren lang hoog in de lucht, orn ten slotte eensklaps te verhuizen. Gewoonlijk zijn dan ook in ons land de Ooijevaars op eens verdwenen; tot in de eerste dagen van September ziet men altijd nog eenige hier en daar, vervolgens bij troepen, en daags daarna is er nergens meer één te vinden.

Omtrent dit wegtrekken, alsook aangaande het terugkeeren van den Ooijevaar, is grootelijks van toepassing wat we hierboven aanstipten, nopens de menigte sprookjes, die te zijnen opzigte ten beste gegeven worden; niet weinigen toch zijn er nog te huidigen dage, die het wegtrekken en terugkeeren dezer vogels als iets bepaald raadselachtigs beschouwen, en onverzettelijk zijn in de meening, dat ook de wetenschap daaromtrent alle gegevens mist. Dit neemt echter niet weg, dat omtrent een en ander, op grond van gedane waarnemingen, het volgende kan medegedeeld worden. De verhuizing der Ooijevaars geschiedt steeds op gezette tijden, onverschillig of het gunstig dan wel ongunstig weder zij. De datum van dit verhuizen moge, van het eene tot het andere jaar, soms een veertiental dagen verschillen, maar zelden meer. Zij trekken namelijk steeds in het laatst van Augustus of het begin van September heên en keeren even geregeld omstreeks het laatst van Maart of het begin van April terug. Wààr zij heêntrekken, is lang onbekend gebleven; doch uit de waarnemingen van natuurkundige reizigers is gebleken, dat zij van September tot Maart in het Noorden en Noord-Oosten van Afrika vertoeven. Volgens de waarnemingen van Dr. A.E. Brehm trekken de Ooijevaars tot voorbij 10° N.B., tot in het hart van Afrika. Volgens anderen ziet men hen reeds in September aan de oevers van den Nijl aankomen, waar zij dan, even als hier te lande, zich met visschen bezig houden. Altijd ziet men ze daar in troepen: een bewijs, dat zij daar niet wederom broeijen. Gelijk zij heêngingen, zoo keeren zij terug; eerst komen de benden; vervolgens zonderen zich daarvan kleine en grootere troepen af, om zich hier en daar te verspreiden; ook van deze troepen scheiden dan alras de paren zich af, en gewoonlijk trekt ieder paar naar zijne vorige broeiplaats terug. Meer dan eens heeft men van dit laatste de bewijzen waargenomen. Hoe en waardoor nu de Ooijevaar zijne vorige broeiplaats terugvindt, dit, ja, is steeds iets onbegrijpelijks geweest en zal wel waarschijnlijk vooreerst nog onbegrijpelijk blijven.