Pagina:Keulemans Onze vogels 2 (1873).djvu/133

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


gemakkelijk aan de volgende bijzonderheden het mannetje onderscheiden: hij is steeds meer in beweging, vliegt nu eens vóór, dan weer achter het wijfje, dat dan meestal stil op een takje zit. Ziet men, van twee bij elkander zijnde voorwerpen, het ééne geregeld vooruit gaan, en het tweede haastig volgen en, als het in de nabijheid van het eerste gekomen is, met de vleugels slaan en den staart uitspreiden, dan kan men er wel zeker van zijn, dat het laatste een mannetje, het eerste een wijfje is.

De broeitijd duurt van Mei tot Julij. Elk paar broeit gewoonlijk tweemaal. Het eerste broeisel bevat vier à vijf, het tweede zelden meer dan vier eijeren. Het nest ligt meestal in lage heesters, die in de schaduw van groote boomen staan; soms ook ligt het tusschen de dunne takjes, die zich bij den wortel van hooge boomen bevinden; in boschjes hakhout, vooral dat van esschen, ligt het wel eens geheel op den grond, maar toch altijd tusschen het groen verborgen. Het is zeer eenvoudig bewerkt en uitwendig uit lang droog gras en eene menigte verdorde blaadjes, inwendig uit koe- of paardenhaar zaamgesteld. De eijeren verschillen wel eens in kleur; de meeste zijn licht olijfgroen, maar men treft er ook geheel bruine aan; gewoonlijk zijn ze eenkleurig, doch soms ook duidelijk gespikkeld.

Het mannetje verwijdert zich zelden ver van het nest, doch schijnt aan het broeijen geen deel te nemen. De jongen worden met wormpjes, rupsjes en spinnetjes opgevoed. Tegen den tijd dat zij het nest kunnen verlaten, zijn zij licht graauw en over het geheele ligchaam donker gevlekt, doch zijn hunne staartpennen reeds rood. Zij hebben bijzonder veel overeenkomst met de jongen van het Gekraagde Roodstaartje (S. phoenicurus), die echter minder krachtige pooten en de twee middelste staartpennen donker hebben.

Het mannetje zingt van April tot het einde van Julij. Niettegenstaande zijn naam van Nachtegaal, hoort men hem, gelijk we hiervoren reeds aanstipten, toch ook dikwijls bij dag, vooral wanneer het wijfje zit te broeijen, en dan zingt hij ook het fraaist; in den paartijd daarentegen hoort men hem zelden anders dan 's nachts, en het indrukwekkendst is het, hem bij maneschijn en helder weder te hooren zingen. Niet alle mannetjes echter zingen even fraai, iets dat waarschijnlijk aan het verschil van leeftijd of woonplaats is toe te schrijven. Ook wil men, dat de Nachtegaal eerst dàn zijn geluid ten volle laat hooren, wanneer er mededingers in de nabijheid zijn, en dan ook, zoo lang hij alléén op eene bepaalde plaats verkeert, slechts een gedeelte van zijn repertorium ten beste geeft. Zooveel