Pagina:Keulemans Onze vogels 2 (1873).djvu/151

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


 

DE ROODBORST-TAPUIT.

SAXICOLA RUBICOLA.


De Tapuiten naderen door hunne vormen en bewegingen, zoowel de Zangers (Sylviae) als de Rotslijsters (Petrecinclae). Men kan ze voorts in twee afdeelingen splitsen, namelijk, in die soorten, welke op takken leven, en in de andere, welke zich voornamelijk op den grond ophouden. De soorten der eerste afdeeling herinneren aan de Sylviae en aan den Winterzanger (Accentor), die der tweede daarentegen komen meer de Rotslijsters en de Waterspreeuwen nabij; zij springen en loopen op den grond en komen slechts zelden op takken, terwijl de eerstbedoelde soorten meestal in heesters vertoeven, en als zij zich op den grond bewegen, niet loopen, maar behendig voorthuppelen.

In Nederland vinden wij van beide afdeelingen twee soorten; van de eerste de hier afgebeelde soort en het zoogenaamde Paapje (S. rubetra); van de tweede, de op den grond levende, den Gewonen Tapuit (S. oenanthe) en den Blonden Tapuit (S. stapazina).

De hier afgebeelde wordt vooral in de heide, op droogen grasgrond of in groote bebouwde vlakten menigvuldig aangetroffen; zij houdt zich ook gaarne tusschen steenen op, waarom de Engelschen haar Stone-chat noemen.

Zij bewoont bijna geheel Europa en een groot gedeelte van Azië, en overwintert in Zuid-Europa, in Noord- en zelfs in Midden-Afrika, beneden den equator. Daar echter is zij zeldzaam, ofschoon de verwante soort (S. rubetra), in Gambië herhaaldelijk is waargenomen en door mij zelven op Prinsen-eiland geschoten is. Eene verwante soort, S. torquata, leeft in Oostelijk Afrika en Madagascar.

Niet al de voorwerpen, die in Europa worden aangetroffen, trekken 's winters naar het Zuiden; althans in het Zuiden van Frankrijk en in Engeland kan men ze ook gedurende den geheelen winter vinden. Hier te lande komen zij in