Pagina:Keulemans Onze vogels 2 (1873).djvu/188

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


vankelijk meende ik, dat nu eens deze, dan weder de andere soort zich had laten hooren. Toen ik echter eens gelijktijdig beide soorten levend gevangen had en dus in de gelegenheid was, om ze ieder afzonderlijk te hooren, maakte de ondervinding een eind aan allen twijfel: S. rufa liet namelijk, zoodra hij zich over iets verwonderde, of ook wel bij het zien van den Uil, bijna hetzelfde geluid hooren, als dat van S. phoenicura (de syllaben „fuu-iet, fuu-iet") en dit werd dan onmiddellijk door S. trochilus, die in een ander kooitje zat, nagebootst. De indruk, daardoor bij mij te weeg gebragt, was inderdaad zoodanig, dat ik in 't eerst geloofde, mij in de identiteit der soorten vergist te hebben, zoodat dan ook onwillekeurig de vraag bij mij oprees, of niet soms voorwerpen van de eene soort, bij verschil van leeftijd, dermate op die van de andere soort konden gelijken, dat er zelfs geen verschil in kleur of grootte tusschen beiden meer ware op te merken; en zoo al voortredenerende, waande ik inderdaad, in stede van twee soorten, twee voorwerpen van ééne en dezelfde soort voor mij te hebben. Het bleek mij echter, door naauwkeurige waarneming, dat het wel degelijk de twee soorten waren, en nu deed ik al het mogelijke om ze beiden in 't leven te houden; wel is waar gelukte mij dit slechts eenige dagen, maar toch kon ik mij in dat tijdsverloop ten volle overtuigen, dat de eene soort het geluid van de andere of aanneemt, of van nature bezit, en ik houd het dan ook voor zeer waarschijnlijk, dat de beide soorten (even als de Meezen) willekeurig overeenkomstige geluiden kunnen voortbrengen. Evenzeer houd ik mij overtuigd, dat het geluid „tjif, tjaf" of „tsjif, tsjaf" insgelijks door beide soorten wordt voortgebragt. Dit laatste kwam mij ook daarom nog waarschijnlijk voor, omdat ik in April 1865 een vogeltje had geschoten, dat juist boven mij in een boom was komen zitten en onmiddellijk het geroep „tjif, tjaf" enz. had aangeheven; ik schoot het zonder het uit het oog te hebben verloren, en bevond dat het S. trochilus was. Dit voorval nu leidde mij tot de meening, dat het vogeltje, hetwelk door den heer Schlegel onder den naam Tjiftjaf beschreven is, tot dezelfde soort behoorde, als het voorwerp, dat ik daar geschoten had. Tot mijne groote verwondering bevond ik echter, dat, in alle boekwerken, welke ik raadpleegde, niet S. trochilus, maar S. rufa vermeld stond, als bedoeld geluid voortbrengende.

Tot nog toe ben ik dan ook niet tot voldoende zekerheid gekomen aangaande de vraag, of er in het gewoon geroep der twee soorten van nature eene bijzondere overeenstemming bestaat, dan wel, of de eene soort slechts de andere na-