Pagina:Keulemans Onze vogels 2 (1873).djvu/194

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd


de jongen zijn, even als die van den Zomer- en Lentezanger, bleeker en meer zacht nankingkleurig op de onderdeelen, graauwer op de bovendeelen.

De Boschzangers broeijen vrij laat, en hun nest is zeer zelden vóór Mei tot broeijing gereed. Het ligt op den grond, tusschen mos, hoog gras of afgevallen takken, soms ook in digte heesters, in het eerste geval is het ovenvormig, in het tweede heeft het min of meer den vorm van een bal, maar steeds met den ingang op zijde. Het wordt zaamgesteld uit de materialen, die in de onmiddellijke nabijheid aanwezig zijn; daardoor komt het zoo zeer met de plaats, waarop het zich bevindt, overeen, dat zelfs de op den grond levende vijanden van dit vogeltje (wezels, ratten en katten) het moeijelijk, ja zelden ontdekken. Voor het binnenwerk worden zachte worteltjes en zachte plantenvezels gebezigd. Men kan het hierdoor van de nesten der Lente- en Zomerzangers onderscheiden; want deze beide soorten gebruiken steeds veêren tot voering van haar nest, doch de Boschzanger doet dit nooit. De eijeren—elk broeisel bevat er vijf à zes—zijn allerfraaist: zacht rosé met kleine donkerroode vlekjes, die zoo gelijkmatig verdeeld zijn, alsof ze er met de pen op geteekend waren.

Het voedsel dezer vogeltjes bestaat hoofdzakelijk in insecten, vooral muggen, kleine spinnen en rupsen. De eijeren van kleine insecten schijnen zij daarentegen niet te eten, en daaraan zal het dan ook wel moeten toegeschreven worden, dat zij eerst later in de lente tot ons overkomen.

Men kan ze in den gevangen staat levend houden, doch dit vereischt zeer veel zorg. Zoodra men er een gevangen heeft, beginne men met hem een paar kleine meelwormen te geven, en bestrooije den bodem der kooi met miereneijeren. Hoe stiller de gevangene wordt behandeld, des te beter en spoediger zal hij zich aan zijne veranderde levenswijze gewennen; de meeste zwakkere vogels sterven door het schudden en herhaaldelijk verplaatsen der kooijen, waarin zij uren lang gedragen en verhuisd worden, alvorens het oord hunner bestemming te bereiken. Eten zij maar eerst, dan volgt het overige als van zelf; doch zijn zij stil en worden zij, wat de vogelaars noemen: „bol", dan waarlijk doet men 't best, hun de vrijheid terug te geven. Het zijn toch te nuttige diertjes, dan dat hun doelloos het leven, het zoo vrije, onbezorgde leven zou worden ontnomen. Bij eene goede behandeling echter houden velen het den geheelen zomer in de kamer of de kooi uit, zoo goed alsof zij daar werkelijk t'huis hoorden. Sedert twee maanden heb ik er een in de kamer rondvliegen; nu en dan neemt het zijn intrek in eene