Pagina:Keulemans Onze vogels 2 (1873).djvu/21

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


Over het algemeen zijn hunne kleuren zeer eenvoudig, met uitzondering van eenige kleine soorten, die donker glanzig groene of blaauwgroene veêren hebben.

De Torenvalken vormen eene groep, waarvan vele soorten onderling veel overeenkomst in grootte en kleur hebben; deze maken het ondergeslacht Tinnunculus uit, en onze Torenvalk is dan ook bij velen onder den naam Tinnunculus alaudarius bekend.

Het mannetje ziet er in zijn volkomen kleed waarlijk lief uit en is meer, dan bij eenige andere soort het geval is, van het wijfje te onderscheiden. Het wijfje is namelijk licht kaneelkleurig en heeft borst en buik met overdwarsche banden, den rug bruingraaw en gestreept; haar kop is van boven overlangs, haar rug daarentegen overdwars gestreept; voorts heeft zij de vleugelveêren breeder gevlekt, en den staart bruin met donkere banden, terwijl zij over 't geheel iets zwaarder is. Het mannetje daarentegen is grijs en roskleurig zonder banden, maar met vlekken aan de onderdeelen en den rug. Jonge mannetjes zijn even als de wijfjes, maar bij de ouden ontbreken de overdwarsche banden geheel. Over 't algemeen hebben de jongen nagenoeg de kleuren der oude wijfjes, doch zijn iets bruiner.

De Torenvalk bewoont Europa en Afrika, en wordt overal vrij talrijk aangetroffen; hij vertoeft, al naar gelang der landen, in verschillende localiteiten. In Noord- Afrika b.v. vindt men hem zoowel in zandige vlakten, als op de toppen der hooge bergen. Op al de Kaap-Verdische Eilanden is hij algemeen, en vliegt daar boven de bergtoppen (sommige p.m. 6000 voet hoog) zoowel als langs de rotsachtige zeestranden. In Palestina ziet men hem op ruïnen en in de zonnige vlakten, terwijl hij in verschillende streken van Midden-Afrika (echter niet beneden de evennachtslijn) midden in de bosschen is waargenomen. In Nederland bezoekt hij de duinen, en vangt er vogels en sprinkhanen, hij zweeft boven weilanden om er veld- en spitsmuizen magtig te worden, vliegt naar de steden, jaagt de grootste Tilduiven na, zet zich op een of anderen hoogen toren neer en beloert van daar al wat er omlaag voorvalt. Onverschrokken valt hij zijne prooi aan en onvermoeid is hij in zijne strooptogten. Met een zeldzaam geduld bespiedt hij een in het gras verscholen muis, vliegt even heen en weer en houdt zich, door snelle, trillende vleugelslagen, als op ééne plek in de lucht staande, zoodat men schier zou meenen, dat hij met uitgespreide vleugels aan een koordje hangt, en zóó, den kop omlaag, onbewegelijk starende en de klaauwen tot den aanval gereed, wacht hij den geschikten oogenblik af, om zijn prooi te overvallen; dan schiet hij eensklaps als