Pagina:Keulemans Onze vogels 2 (1873).djvu/23

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


er voorbeelden van, dat een wijfje, binnen ééne week, vier echtgenooten verloor en dat er telkens een nieuwe kwam opdagen, om den verlorene te vervangen. In 't voorbijgaan zij hier nog opgemerkt, dat van de tien gepaarde mannetjes zelden meer dan vijf of zes hunne volmaakte kleuren hebben; want hun volkomen vederkleed krijgen zij niet vóór hun derde of vierde jaar; en zij paren reeds in hun tweede.

De jongen blijven lang in het nest, en zijn, daar zij zeer langzaam ontwikkelen, eerst op betrekkelijk gevorderden leeftijd in staat, in hun eigen onderhoud te voorzien. Zij worden eerst door het mannetje alleen, later door beide ouders met stukgebeten buit gevoêrd.

De Torenvalken drinken weinig, eten veel op eens en kunnen daarna lang vasten. In het najaar vangt men ze soms met het vinkennet. 's Winters, als zij hongerig zijn, vallen zij op gekooide vogels aan, al hangen die ook tegen de huismuren. Overigens is de Torenvalk schuw of mak, al naardat hij wel of niet verontrust wordt. Op de Kaap-Verdische Eilanden kon ik ze tot op zes à acht passen naderen, hetgeen men in ons land zeker niet zal kunnen doen. Op Madeira, waar men ze Francelho's noemt, zijn zij in het bewoonde gedeelte zóó schuw, dat zij reeds op vijftig pas de vlugt nemen; in het onbewoonde, hoogere gedeelte daarentegen zijn zij weder zeer mak. Op de Kaap-Verdische Eilanden noemt men den Torenvalk Zebellinha (op St. Jago heet hij echter Falcoa of Falconha), en wordt zijn vleesch door de zwarte inwoners gegeten en vooral dat der jongen voor eene lekkernij gehouden; een bewijs, dat hun smaak zeer veel van den onzen verschilt. Maar al valt hij niet in onzen smaak, toch heeft hij ook in Europa onder het menschdom zijne vijanden, en daaronder bekleedt eene eerste plaats de jager, die hem vervolgt niet alleen omdat hij het een „mooi schot" noemt, als hij er een doodschiet, maar ook omdat de Torenvalk, de verdelger van jong wild en eijeren, als een geduchte concurrent van den jager, derhalve als schadelijk voor de jagt te boek staat; daarbij komt nog, naast de eer van het „mooije schot", ook eenig voordeel, naardien voor een dooden Torenvalk eene kleine premie uitbetaald wordt. Maar ook onder het klein gevogelte heeft hij zijne antagonisten, b. v. de Kwikstaarten en Zwaluwen, die hem al schreeuwende navliegen en voor wie hij inderdaad min of meer bevreesd schijnt; ook de Vlaamsche Gaai schreeuwt en raast, en de Klaauwier is niet tot bedaren te brengen, zoodra zij een Torenvalk te zien krijgen; evenzoo wordt hij door Kraaijen vervolgd, en dezen zetten die