Pagina:Keulemans Onze vogels 2 (1873).djvu/267

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd


een zeer zonderling en niet minder belangrijk verschijnsel bij het verkleuren van vogelveêren, dat eene eenmaal begonnen verandering in de kleur der veder van zelf weder ophoudt, als ware de ontwikkeling dier kleur plotseling in haar vooruitgang gestremd. Zoo ook ziet men, dat Kruisbekken, in hun volkomen kleed gevangen en gekooid, bij de eerstvolgende ruijing weder geel worden; doch hier is de veder geheel vernieuwd, in het eerste geval echter de wording der kleur gestuit. Beide verschijnselen zijn intusschen gevolgen van ééne en dezelfde oorzaak, deze namelijk, dat bij gevangen voorwerpen niet die verhitting van het bloed plaats grijpt, welke bij de in vrijheid levenden de kleuren van hun bruiloftsof zomerkleed doet ontstaan. Bij volwassen voorwerpen wordt ook eene ongeregeld opvolgende, graadsgewijze verkleuring opgemerkt, welke reeds van hun ruitijd af begint: het geel, onmiddellijk na den ruitijd helderder, gaat in die gevallen eerst na eenige weken tot oranje en rood over. Ook bij volwassen wijfjes heeft men sporen van geel aangetroffen.

De Kruisbek broeit in het geheele Noordelijk halfrond, ook in Schotland. Afgedwaalde paren nestelen soms in Midden-Europa; de zoodanigen zijn het dan ook, welke men nu en dan in het lage dennenhout nabij 's Gravenhage en in Noord-Braband ontmoet. Eenige jaren geleden werd op een buitenverblijf nabij Rotterdam een nest van dezen vogel met vijf eijeren gevonden. Dit was grooter dan gewoonlijk; want het nest van den Kruisbek is in den regel zeer klein, niet grooter althans dan dat van den Vink. Het ligt in een den of spar op een der dunnere takken, ongeveer 4 à 5 voet beneden den hoogsten tak of top, en gewoonlijk nabij den stam. Meestal wordt het, bij voorkeur in lommerrijke boomen, op de eerste zijwaarts liggende dwarstakken aangelegd, en wel in dier voege, dat het door een hoogeren tak voor sneeuw en regen beschut ligt. De bouwstoffen vinden de ouden in hunne onmiddellijke nabijheid, namelijk, in denzelfden boom, waarop zij het nest aanleggen. De eerste of grondlaag bestaat uit dunne doode dennentakjes en de dunne naaldachtige bladen; de wanden en het binnenwerk worden uit zachte korstmossen, schors en worteltjes zeer degelijk en net zaamgevlochten, zoodat het geheele nest met den boom één geheel schijnt uit te maken; soms wordt het nog met zachte mos- of dunnere plantendraden gevoerd, en in sommige nesten heeft men zelfs rendierhaar aangetroffen.

De 3 à 5 eijeren zijn vuilwit met kleine bruinroode en donkergraauwe streepjes en vlekjes, die op het eene ei soms zeer talrijk, op het andere daaren-