Pagina:Keulemans Onze vogels 2 (1873).djvu/295

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd


 

DE APPELVINK.

COCCOTHRAUSTES VULGARIS.


De Appelvink is gemakkelijk te herkennen aan zijn dikken snavel en zijne lompe, zware gestalte. Men noemt hem ook Kernbijter of Dikbek, welke titels echter minder juist gekozen zijn, daar beide benamingen op eene geheele familie van vogels betrekking hebben.

De Appelvink bewoont het gematigde gedeelte van Europa en is in Engeland, waar hij vroeger als eene zeldzaamheid beschouwd werd, van lieverlede dermate in aantal toegenomen, dat hij er thans onder de algemeen bekende vogels gerangschikt wordt. In de meeste landen waar hij broeit, vindt men hem ook 's winters; in Nederland is het een standvogel; evenwel broeijen er ook meer noordelijk, die in het najaar zuidwaarts trekken en zich hier te lande soms eenige maanden ophouden, zonder zich veel verder naar 't Zuiden heên te begeven.

Gedurende den zomer verbergt ieder paar zich in het digt gebladerte; want vooral in dit saizoen zijn deze vogels zeer schuw en wantrouwend. Soms bouwen zij hun nest in een appel- of perenboom, en zijn dan vrij schadelijke gasten, daar vele bloesems en jonge vruchten door hun krachtigen snavel vernield worden. Zijn er kersen, dan worden deze alleronbarmhartigst aangerand, en een paar Appelvinken vernielt dagelijks meer dan een pond dezer vruchten, indien niet vooraf maatregelen ter bescherming genomen zijn. In alle opzigten zijn het schadelijke vogels; want, waar zij zich ook ophouden, overal brengen zij vernieling teweeg. Jonge peulvruchten worden met dezelfde gulzigheid door hen verslonden en afgerukt, de kersen geheel of half afgeknabbeld, de bloesems vernield en jonge vruchten ter wille der pitten stukgebeten. Het geweer alleen kan hen verschrikken; want stroopoppen en andere vogelverschrikkers kunnen hen slechts zeer kort van hun vernielingswerk weerhouden: zoodra zij er aan gewoon zijn, geven