Pagina:Keulemans Onze vogels 2 (1873).djvu/297

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd


wanneer ik hun de kern gaf, na zelf de pitten gebroken te hebben, nuttigden zij die kern, doch gaven ook dan nog duidelijk de voorkeur aan de sappige vrucht.

Hun zang is niet zeer melodieus, doch vrij vrolijk, en wordt snel achter elkander afgerammeld. Het is eigenlijk een stotterend zamenhangsel van als ware 't uit den buik voortgebragte zachte, schorre toonen, gevarieerd door een slepend, zacht en kort gekras. In de kooi echter, altoos wanneer zij zingen willen, bootsen zij het zachte streelende geluid van de Kneu en het zoet slepende gekweel van den Goudvink zeer aardig na; zelfs perfectioneren zij dien zang, wanneer zij eenmaal aan 't doorzingen geraken. Overigens zijn het koppige, ligtgeraakte vogels, die bij de geringste aanleiding alle andere kooigenooten de pooten stukbijten, waarom het beter is, ze alleen op te sluiten. Men kan hun bijna alle soorten van zaden en pitten geven, en verscheidenheid van voedsel schijnt zeer veel tot hunne opgeruimdheid bij te dragen; ook meelwormen nuttigen zij soms, doch gewoonlijk spelen zij er dan eenigen tijd meê, gelijk de kat met de muis, alvorens ze in te slikken.