Pagina:Keulemans Onze vogels 2 (1873).djvu/372

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd


deelde stipjes". (Dit laatste zal iederen fazantkenner wel eenige verwondering baren; hoogstwaarschijnlijk was T. verkeerd ingelicht, toen hij dit schreef.).

De Hennen van den Ringfazant zijn bijna eveneens gekleurd, als die der andere, straks genoemde soort; zij verschillen echter (in hare oorspronkelijke kleuren) door de breedere en donkere banden over de staartpennen, alsmede door een donker vlekje aan het oog, langs de oorstreek; ook zijn zij iets bruiner aan de buikveêren.

Even als alle andere Fazanten, leeft deze soort in polygamie: iedere Haan houdt er vijf à tien Hennen op na, die echter niet allen broeijen. In den regel broeijen vier van de vijf Hennen, en iedere Hen heeft vier à acht Kuikens, geheel gelijk aan die van den Gewonen of Boschfazant. Zulk eene familie houdt zich in het lage hout aan de zoomen der bosschen op, en de van Kuikens voorziene Hennen zijn dikwijls zeer ver van elkaêr verwijderd. De Haan weet ze echter allen te vinden, en maakt nu en dan eene inspectie-promenade.

In tammen staat bestaan er eigenlijk drieërlei Ringfazanten, namelijk: 1°. die, welke hunne oorspronkelijke kleuren bezitten, 2°. die, welke door verandering van luchtstreek beide witte streepjes op den kop en hunne gele zijdeveêren verloren hebben, en dus tot de Gewone soort overhellen, en 3°. de bastaarden, of liever; de uit kruising met de Gewone soort ontstane individuen, welke laatsten het algemeenst zijn. Zeer opmerkenswaardig is het, dat bij dezen de witte ring standvastig is en zelfs breeder wordt, en dat eene generatie, waarin die witte ring eenmaal aanwezig is, steeds tot in het oneindige Ringfazanten zal voortbrengen, al paren zij ook met de Gewone soort.

Wit schijnt voor Hoendervogels eene gevaarlijke variatie te zijn; want, is het eenmaal toevallig in hun gevederte gekomen, men krijgt het er niet weder uit; vandaar dat men zoo dikwijls ziet, dat van een Haan van den Gewonen Fazant, gepaard met eene Hen van den bastaard-Ringfazant, alle mannelijke jongen witte ringen krijgen. Zelfs vertoont die ring zich bij de Hennen, niet alleen wanneer zij oud worden, maar reeds bij hare allereerste veêren. Tegenwoordig worden er Wilde Fazanten met ringen geschoten in streken, waar zich nooit eigenlijke Ringfazanten ophielden: een bewijs dus, hoe verre het wit zich bij den vogel voortplant.

Na een en ander te hebben opgemerkt, zal men tot de overtuiging komen, dat Ph. colchicus en Ph. torquatus inderdaad niet zoo veel van elkander verschillen; want, ware dit het geval, dan zouden ook de jongen, uit kruising van