Pagina:Keulemans Onze vogels 2 (1873).djvu/47

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


zeer verren afstand wegvliegen; hare spoedige terugkomst bewees echter, dat zij zoo ver niet weg was geweest. Ik bleef op dezelfde plek staan, en het teruggekomen Koekoekswijfje vloog, even boven mij, heen en weder, zette zich even op een tak neer, en verliet dien terstond weder; dit alles gebeurde in minder dan twee minuten. Ik onthield de plek, vanwaar zij was opgevlogen, en onderzocht naauwkeurig of er ook hier of daar een ei op den grond lag. Ik vond het niet, en was verzekerd, dat zij geen ei in den bek had gehouden, toen zij opvloog en terugkwam. Eenige oogenblikken later vloog een klein vogeltje langs mij heen en zette zich, eenige passen verder, op een wilgentak neder. Ik ging in 't gras zitten en loerde oplettend, waar het bleef; het kwam mij voor, het wijfje van S. phoenicurus te zijn, doch ik durfde het niet van nabij te komen bezien, uit vrees dat mijne verwachting teleurgesteld zou worden. Zoo bleef ik dan ruim een uur zitten en besloot toen eindelijk, dien wilgentak en dat vogeltje, dat inmiddels al lang voor mijn oog verdwenen was, te gaan opzoeken. Naast die wilgenknot, langs den waterkant, onderaan den met mos bedekten stronk van een afgekapten elzenstruik, vond ik het nest van S. phoenicurus met twee eijeren er in. Ik liet het onaangeroerd liggen. Den Koekoek zag ik niet meer terug. Den volgenden ochtend evenwel, mij weder naar het nest van S. phoenicurus begeven hebbende, vond ik er drie eijeren van genoemden vogel (het derde juist gelegd) in, en—een versch Koekoeksei, graauw gevlekt van kleur. Dit nest nam ik meê; het ei van den Koekoek, was eerst dien ochtend gelegd. De volgende week ontving ik een beschadigd Koekoeksei, dat gebroken in het nest van den Tuinzanger (S. hortensis) gevonden was.

In den zomer van 1868 ontving ik dertien nesten, in elk waarvan een Koekoeksei aanwezig was; 't waren nesten van: de Grasmusch (S. cinerea), den Tuinzanger (S. hortensis), den Kwikstaart (Mot. alba) en de Haverkneu of Geelgors (Emb. citrinella); de meeste Koekoekseijeren lagen in het nest van S. cinerea. In hetzelfde jaar zag ik twee Koekoeken zeer hoog in de lucht vliegen; beiden zetten zich op een kleinen afstand neder, en ik begaf mij onmiddellijk op weg, in de hoop eenige waarnemingen te kunnen doen. Toen ik onder den boom gekomen was, zag ik beiden in eene rustende houding zitten, doch een poosje later vloog er een naar een nabijstaanden perenboom, sprong langzaam door de takken, ging vervolgens in een daarnevensstaanden boom en verdween tusschen het gebladerte. Ik wist dat er in dien boom een nest van den Tuinzanger lag, en ik verheugde mij reeds in de hoop, nu eindelijk eens te zien, hoe de Koekoek te werk zou gaan.