Pagina:Keulemans Onze vogels 2 (1873).djvu/93

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


 

DE HOP.

UPUPA EPOPS.


Door den eigenaardigen vorm van hun snavel, door hunne krachtige pooten en zacht rosse kleur, onderscheiden de Hoppen zich als een zeer kennelijk geslacht. Zij staan dan ook als zoodanig geheel op zich zelf, en, met uitzondering van eenige weinige bekende soorten van het geslacht Podocis (uit het Zuid-Westen van Azië), kennen zij geene verwanten in de vogelwereld.

De hier te lande bekende Hop is in Europa de eenige vertegenwoordiger van deze merkwaardige familie; daartoe behooren trouwens een gering getal soorten, en dezen hebben daarenboven onderling zooveel overeenkomst in kleur en grootte, dat men ze slechts bij een zeer naauwkeurig onderzoek van elkander kan onderscheiden. Zij bewonen de oude wereld, terwijl onze Hop, behalve in Europa, ook over het grootste gedeelte van Azië wordt aangetroffen, in het Noorden van welk werelddeel hij zelfs een zeer algemeene vogel is. De voorwerpen, die de noordelijke streken van Europa en Azië bewonen, trekken 's winters naar het Zuiden. In Noord-Afrika daarentegen is de Hop een standvogel. In Zuid-Indië en China trekt hij, gedurende het koudere jaargetijde, gezellig rond.

Hier te lande verschijnt hij in April, en hij verhuist weder in September of October; soms echter worden hier, even als in Engeland, ook 's winters troepjes van 2 à 5 stuks waargenomen.

Er bestaat bij dezen vogel geen uiterlijk verschil van sekse; evenwel onderscheiden de mannetjes zich meestal door hunne meerdere grootte en door de donkerzwarte kleur hunner staart- en vleugelpennen, terwijl de wijfjes gewoonlijk fletser gekleurd zijn. De jongen vertoonen reeds bij het verlaten van het nest eene korte kuif; hunne kleuren zijn overigens aan die der ouden gelijk, doch hun snavel is aanmerkelijk korter en regt, zoodat hij meer naar den bek vaneen Spreeuw gelijkt.