Pagina:Keulemans Onze vogels 2 (1873).djvu/94

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


De Hop broeit in holen, meestal in de diepe gaten van vermolmde knotwilgen; vindt hij echter dergelijke boomen niet in den omtrek, dan kiest hij ook wel hoogere boomen tot broeiplaats; soms ook, doch zelden, broeit deze vogel op den grond, onder steenen of onder wortels van boomen. Meestal legt het wijfje hare eijeren op een vermolmden bodem; zelden worden daarbij eigenlijk gezegde bouwstoffen aangetroffen, en dan nog in zeer geringe hoeveelheid, alleen wat in de onmiddellijke nabijheid van het nest te vinden is, als doode varenblaadjes, dunne wortels of veêren. Sommige beweren dat de Hop de uitwerpselen van vee en andere dieren opzoekt en naar zijn nest brengt; anderen meenen dat hij steeds in vuil of mest zou broeijen. Ofschoon nu inderdaad de eijeren van dezen vogel in mesthoopen, zelfs in afvalputten nabij woningen gevonden zijn, is dit echter niet in den regel het geval. Wel is waar vindt de Hop zijn voedsel hoofdzakelijk in mest en vuil, en het gevolg daarvan is dan ook, dat hij soms een onwelriekenden geur verspreidt, doch slechts bij uitzondering broeit hij op die plaatsen, waar hij zijn voedsel vindt. De eijeren, meestal vier in één broeisel, zijn aanvankelijk bleek blaauw-groen, welke kleur echter, na eenige dagen broeijens, tot een vuil grijs overgaat. Alleen het wijfje broeit; zij zit bijna den geheelen dag op hare eijeren, en verwijdert zich alleen om hare uitwerpselen op eenigen afstand te laten neervallen; zoodra zij begint te zitten, wordt haar voedsel haar door het mannetje aangebragt.

De jongen komen geheel naakt uit het ei te voorschijn; zij worden door beide ouden met muggen, larven en maden gevoêrd; zoodra zij iets grooter geworden zijn, steken zij allen naast elkaêr de koppen buiten het nest, en blijven in die houding geduldig de aankomst hunner ouders verbeiden, die daardoor de moeite kunnen sparen, met het voor de jongen bijeengegaêrde voedsel het nest binnen te gaan.

De Hop vindt, zooals wij reeds aanstipten, zijn voedsel op den grond; daarbij komt zijn lange snavel hem zeer van pas (of, anders gezegd, hij heeft een langen bek, omdat hij zijn voedsel op den grond moet vinden). Hij zoekt daar wormen op dezelfde wijze als de Spreeuw, namelijk, door in den grond te boren, daarbij, door de aangebragte beweging, de wormen naar boven drijvende. Terwijl echter de Spreeuw meestal die bewerking aan het grazende vee overlaat, en wacht totdat de worm naar buiten kruipt, om dien dan op te pikken, steekt daarentegen de Hop zijn langen snavel tot aan den mondhoek in den weeken bodem, schudt