Pagina:Keulemans Onze vogels 2 (1873).djvu/95

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


den kop heen en weer, en huppelt daarbij met de pooten; zoodra nu door een en ander het insect naar boven is gedreven, werpt de Hop het met den snavel omhoog, en vangt het even behendig weder op. Zoo zet hij zijne onderzoekingen geruimen tijd voort, op verschillende plaatsen gaten borende, totdat de daar aanwezige insecten opgespoord en verzwolgen zijn. Zijne tegenwoordigheid wordt dan ook spoedig door de achtergebleven boorgaten aangewezen.

Weinig vogels vertoonen zooveel verscheidenheid in hunne bewegingen, als de Hop. Hij doorloopt korte afstanden gelijk de Spreeuw, en springt even behendig als de Ekster; hij zoekt zijn voedsel gelijk de Snip, en hapt dit even als de Rhinoceros- of Zwaardvogels (Buceros) op; hij vliegt snel, en wendt en keert gemakkelijk, doch gebruikt ook zijne vleugels om zich, in tijd van nood, voor ontdekking te behoeden: hij legt zich dan namelijk plat op den grond, en spreidt de vleugels zoo wijd mogelijk uiteen, in welke houding hij dermate naar den met vuil bedekten bodem gelijkt, dat zijn vervolger hem gewoonlijk over 't hoofd ziet.

Het is een uiterst schrandere, oplettende en vertrouwelijke vogel, en deze hoedanigheden merkt men vooral bij gevangen voorwerpen op. Men ziet ze echter zelden in kooijen, daar men het over 't algemeen als onmogelijk beschouwt, insectenetende vogels in gevangenschap levend te houden.

Tijdens mijn verblijf in eene der kleine steden van Noord-Braband vond ik tot mijne groote verwondering een aantal, althans minstens twintig, doode Hoppen in een boomgaard, bij wijze van vogelverschrikkers, aan lange stokken hangen. Eenige dezer vogels waren denzelfden dag geschoten en nog geschikt om opgezet te worden, zoodat ik uit den schijnbaar waardeloozen buit nog eene aanwinst voor mijne verzameling opdeed. Den volgenden ochtend gelukte het mij, een oud mannetje levend te vangen; daar echter omstandigheden mij verhinderden, den vogel behoorlijk te verzorgen, moest ik hem bij den eigenaar van den boomgaard ter bewaring laten. Het was een alleraardigste vogel; zijne oplettendheid en sierlijke bewegingen hadden dan ook zooveel invloed op mijn vriend, den eigenaar van den boomgaard, dat deze beloofde, nimmer weer een Hop neer te zullen schieten. Onze Hop—want wij beschouwden den vogel als ons gezamenlijk eigendom—huisvestte in eene duivenkooi; wel wist hij telkens daaruit te ontvlugten, doch ook telkens, en steeds uit eigen beweging, keerde hij daarin terug. Zoodra de huisgenooten aan het middagmaal zaten, kwam hij toevliegen, zette zich op de tafel en pikte aan de verschillende spijzen, zonder er echter van te eten; doch