Pagina:Keulemans Onze vogels 3 (1876).djvu/208

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

slepen, dan voor den nestbouw noodig is. De nesten zien er daardoor bijzonder net uit; want katoen is zeer handelbaar en laat zich gemakkelijk pluizen, verwerken en tot draden maken. Het wijfje legt 4 à 6 lichtblaauwe, donker gevlekte eijeren. De jongen komen na veertien dagen broeijens te voorschijn en, zoodra zij drie weken oud zijn, kruipen zij naar buiten, hangen aan het nest en koesteren zich in den zonneschijn. Volgens latere schrijvers, broeijen deze vogels in de meer noordelijke streken slechts eenmaal, doordien daar de zomer korter is, terwijl hunne zuidelijker wonende soortverwanten door den langeren duur van den zomer in staat gesteld worden, twee broeisels groot te brengen. Daar de eerstgenoemden, door koude gedwongen, zuidwaarts trekken, ontmoeten zij gedurende hunne overwintering de zuidelijke voorwerpen, en vliegen met dezen bij geheele scholen over vlakte en berg, in het bosch en ook in den omtrek der steden, waar zij dan dikwijls de tuinen bezoeken.

Even als de reeds vroeger beschreven Icterus jamaicci, voeden zij zich met vruchten en insecten, en zij leiden ook nagenoeg dezelfde levenswijze, als deze vogel.

In de volière bieden zij veel genoegen aan, daar zij zeer schrander, oplettend en vertrouwelijk zijn, even speelziek en grappig als de Troepiaal, doch, naar het mij voorkomt, verstandiger dan deze. Bij gebrek aan eene volière, houde men hen liefst in een warm vertrek, in eene ruime en zooveel mogelijk verlichte kooi; in duistere vertrekken toch raken deze vogels al zeer spoedig aan 't kwijnen en verbleekt hun gevederte, terwijl de warmte der zon hun niet alleen aangenaam, maar ook zeer noodzakelijk is. Zij zijn zeer levendig van aard en springen, fluitende, op den duur van den eenen ruststok op den anderen; ook nemen zij gaarne een bad, waarbij zij zich gewoonlijk doornat maken. Is de Baltimore eenmaal met de hem omringende personen bekend, dan bijt hij naar alle vreemdelingen, die zijne kooi naderen of aanraken; soms echter brengt hij ook zijn meester beten toe, als deze zijne ledige vingers voor de traliën houdt of den vogel spijs toedient, welke niet in zijn smaak valt.

Ruim twee jaar geleden had ik er een, die bijzonder twistziek, doch zeer verstandig was. Hij pikte alleen naar vreemdelingen of naar andere vogels die, vrijgelaten, soms op zijne kooi kwamen rusten. Eens had hij een lastigen bezoeker te verdrijven, doch behaalde na langen strijd de overwinning. Het was een alleraardigst schouwspel, vooral doordien de beide partijen elkander naauwelijks raken