Pagina:Keulemans Onze vogels 3 (1876).djvu/86

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd


hebben de mannetjes een weinig glanziger veêren en zwarter vleugelpunten. Doch de jongen zijn zeer gemakkelijk te herkennen; hun gevederte is doffer en bruiner, en hunne lellen zijn slechts onvolkomen aangeduid.

De Beo broeit in boomholten. De kleur der eijeren is niet met zekerheid bekend. Volgens Jerdon, leven deze vogels bij troepen in het bamboes en nabij gecultiveerde gronden, en komen zij in het gebergte tot op 3000 voet boven de oppervlakte der zee voor; zij voeden zich met bananen en andere zoete vruchten, alsmede met beziën en insecten.

In den gevangen staat komen de twee verschillende soorten, welke wij onder den naam van Beo kennen, in gewoonten en stemgeluid al zeer wel overeen. Beiden zijn allervrolijkst van aard en bijzonder verstandig ontwikkeld, zoodat zij spoedig hunne vrienden kennen. Zij worden dan ook zeer tam, en hebben de gewoonte om, als zij aangesproken worden, den kop op zijde te keeren, op dezelfde schijnbaar luisterende manier, waarop sommige Papegaaijen dit doen. Dat zij tevens de verschillende geluiden, die zij hooren, goed onthouden, blijkt duidelijk genoeg door de menigte verschillende woorden, die zij, spoediger dan eenige andere vogel, weten na te praten. Daarbij is hun stemgeluid zoo helder en zuiver, dat het soms zeer moeijelijk valt, het gepraat van den vogel en dat van den mensch te onderscheiden. De Beo bootst niet alleen woorden na, maar geeft ook de eigenaardigheid van het spraakgeluid, of de stem waarmede hij aangesproken wordt, met wonderlijke getrouwheid terug.

't Is dan ook niet te verwonderen, dat de in diergaarden levende Beo's de algemeene aandacht tot zich trekken; trouwens leert men hun reeds gedurende den overtogt uit hun geboorteland tal van phrases; de meesten kunnen b.v. zeggen (we zouden het zelfs „vragen” kunnen noemen): „wie klopt daar?” zoodra ze een kloppend geluid vernemen; of, als de naburige kooivogels wat veel geraas maken, hoort men den Beo op bestraffenden toon roepen: „hou je bek daar!” 'tgeen natuurlijk vooral de jeugd amuseert.

De Beo wordt echter eerst dan een goede prater, als men hem alleen houdt en niet te veel in eens laat leeren. Ik heb er een gehoord, die minstens vijftig verschillende woorden sprak en onderscheidene lange phrases uit het hoofd kon opzeggen. Ook floot, of liever, zong hij de wijze en de woorden van het Engelsch volkslied: „God save the queen”; natuurlijk kende hij niet al de woorden; doch ik heb hem geheele redevoeringen hooren voordragen, waarbij hij geen de