Pagina:Land en volk van Sumatra (1916).djvu/141

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

101

 

Hoogtegrenzen der bebouwing en bewoning.

De bovengrenzen, waarop verschillende producten willen groeien, zijn niet precies op een 100 M. na aan te geven.

De rijst is op zeeniveau 3 a 4 maanden na het uitplanten der stekjes rijp; op 1200 M. hoogte duurt dit 6 à 7 maanden. De hoogste rijstvelden komen wel tot 1500 M. voor, maar boven 1200 M. zijn zij toch al zeldzaam. De klapperboom begint op 600 M. aan productiviteit af te nemen en brengt het boven 1000 M. in den regel niet meer tot rijpe vruchten. Mais is taai en groeit op alle hoogten tot 1200 M.; tabak kan tot boven 2000 M. groeien, maar wordt boven 500 M. zelden in het groot aangeplant. Aardappelen en Europeesche groenten tieren krachtens hunne Noordelijke afkomst alleen in de kou. Rubber kan ook groote hoogten verdragen; de koffie floreert tusschen 300 en 1000 M.

Welk deel van Sumatra is nu bebouwd en tot hoe hoog gaan de vestigingen der menschen? De laatste vraag is met eenige nauwkeurigheid te beantwoorden: tot 1400 M. met plaatselijke uitzonderingen; op zeer begunstigde plaatsen komen tot 1500 M. nog vaste menschehjke nederzettingen voor. Enkele ladangs en afzonderlijke woningen gaan nog hooger.

Op de eerste vraag kan men slechts met zeer speculatieve schatting antwoorden: de bebouwde grond zal van 2½ tot 3% van de geheele oppervlakte van Sumatra beslaan. Er is plaats voor 20 maal zooveel menschen als er nu wonen, al moeten ook allen voedsel van eigen bodem gebruiken. Er is geen reden om aan te nemen, dat niet meer dan de helft van Sumatra's bodem voor ontginning geschikt zou zijn.


Geschiktheid voor ontginning.

De oude leigebergten leveren bij verweering een gelen of grauwgelen klei- en leembodem van voldoende vruchtbaarheid, zooals op Sumatra's Westkust blijkt.

De kalkgronden uit het primaire tijdvak zijn in den regel onvruchtbaar en onbebouwd; zelfs ontbreken, vooral in het Noorden, de bosschen en nemen ilalang (Javaansch: alang-alang), glagah en varens den bodem in beslag.