Pagina:Land en volk van Sumatra (1916).djvu/258

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

208

Oostkust in de wandeling Deli heet, wordt heel Malaka door hen aangeduid als Kolang. Sommigen komen later terug, anderen, naar ik geloof de meerderheid, blijven er. Velen vinden een bestaan in hei groote, drukke Singapoera. Anderen ontginnen land en sluiten zich daartoe gewoonlijk eerst aan bij familieleden of dorpsgenooten. Weer anderen werken op de nieuwe rubberondernemingen, vestigen zich als lapau- of kedaihouder (winkelier), drijven handel, worden karrevoerder, vinden een baantje als beambte op onderneming of kantoor. Sober van aard en onvermoeide loopers, zien zij er geen bezwaar in eenige honderden palen te loopen en daarna met de goedkoopste prauw- of bootgelegenheid naar den overwal te komen en in den eersten tijd zwaren koeli-arbeid te verrichten, waarvoor zij in hun eigen land zouden bedanken.

Cijfers omtrent deze emigratie kunnen niet worden verstrekt, doch het staat vast, dat het getal vertrekkenden jaarlijks zeer groot is en de bevolking in verschillende streken niet slechts stationnair blijft, maar zelfs afneemt.

De Engelsche planters zien hen gaarne komen en maken het hun gemakkelijk, naar het schijnt. Vaststaande en betrouwbare berichten omtrent hun wedervaren op Malaka zijn niet beschikbaar. Een gron- dig onderzoek daarnaar zou gewenscht zijn. Sumatra verliest de menschen, die het zelf zoo hard noodig heeft. Het is zeer de vraag, of zij het op Sumatra zelf niet even goed of beter zouden hebben, dan onder vreemde vlag. Doch de emigratie-stroom vloeit al sinds eeuwen in die richting en de macht van sleur en traditie is zoo groot!

Emigratie naar andere deelen van Sumatra.

Een ander deel der bevolking trekt naar het cultuurgebied van Deli, naar Bengkoelen, naar de Atjehsche kustplaatsen, naar Djambi, naar Sibolga en ook wel verder en vindt daar een bestaan. Niet als koeli, doch in andere broodwinningen, als hiervoor genoemd. Het getal dezer emigranten, die niet voor ons Indië verloren gaan, zal tegenwoordig misschien even groot zijn als dat der Kolanggan- gers. Het is opmerkelijk, dat elke streek, zelfs elke afzonderlijke negeri, als het ware haar eigen emigratie-gebied heeft. In de verre streken, waarheen de menschen gaan „merantau", leiden zij een