Pagina:Land en volk van Sumatra (1916).djvu/282

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen


 

IX. HET NIJVERE SUMATRA.




§ 41. Inlandsche landbouw.

Een scherpe grens tusschen kleinen en grooten, tusschen Inlandschen en Europeeschen landbouw is voor Sumatra niet te trekken. Klappers, tabak, gambir, peper, koffie, ook rubber, worden zoowel door Europeanen als door Inlanders geteeld.


Rijstbouw.

Men noemt wel eens den rijstbouw den waardemeter der beschaving van de volken in Z.O. Azië. De vier trappen van beschaving naar dezen meter vindt men alle op Sumatra: afwezigheid van eigenlijken landbouw; roof- of ladangbouw; rijstbouw op permanente velden, die alleen regenwater ontvangen, en bevloeibare sawahs.

De mededeelingen over den landbouw der bevolking in vorige hoofdstukken kunnen met een algemeen overzicht worden aangevuld.

Sedert 1910 worden van Regeeringswege onderzoekingen ingesteld naar bestaande en gewenschte bevloeiingswerken op Sumatra. Voor détailonderzoekingen werden ingenieurs geplaatst op Sumatra's Westkust, in Palembang, Bengkoelen en Atjeh. In 1913 verscheen een rapport, waarin de urgente irrigatie-werken worden aangewezen en sedert werkt men rustig verder om in Sumatra's rijstnood te voorzien.

Ja, rijstnood, want al kan men het eenerzij ds een gelukkig verschijnsel achten, dat Sumatra het tekort aan rijst kan betalen met andere landbouw-producten en de opbrengst van mineralen, anderzijds brengt het gevaren mee, dat 14 of 15 van het hoofdvoedsel der bevolking van overzee—Achter-Indië, Britsch-Indië, Siam—moet worden ingevoerd. Bij het uitbreken van den oorlog in Aug. 1914 werd de rijstnood vooral op Sumatra's Oostkust pijnlijk gevoeld.

Sumatra had in het normale jaar 1913 een tekort van 146 mil-