Pagina:Land en volk van Sumatra (1916).djvu/43

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

21

Het eerste rustpunt in ons overzicht is hier de G. Raja, (2300 M.), waar de gewesten Bengkoelen, Sumatra's Westkust en Djanibi elkaar raken.


Boven-Djambi.

Oostelijk vinden wij hier het zware bergland van boven-Djambi, waaruit de Tembesi, met de Asai samenvloeiende, naar de Batang Hari loopt. De grens der stroomgebieden van Moesi en Batang Hari is tevens die der residentiën Palembang en Djambi. Zoowel het bergland als de diluviale vlakte zijn zeer dun bevolkt. Waar de Batang Asai met de Batang Tembesi samenvloeit, ligt Sarolangoen, hoofdplaats der gelijknamige onderafdeeling.

Van hier gaat een pad naar Soeroelangoen aan de Rawas; over de waterscheiding dus der Moesi- en Hari-rivieren.


Koerintji.

Nu volgt het landschap Koerintji, het meest beteekenende en het best bevolkte van de bovenlandsche landschappen van Djambi; het meest Minangkabausch ook van deze in taal en adat.

De Noordelijke grens wordt gevormd door eene „vulkanische dwarsspleet", in de Patah Sembilan aan de Westelijke hoofdketens aansluitend, en verder den Goenoeng Koerintji of Piek van Indrapoera en den G. Toedjoeh dragend. De Patah Sembilan is de hoogste top van de Westelijke Barisan, 2500 M., en door een rug van 1800 M. hoogte verbonden met de G. Koerintji, den hoogsten vulkaan van Sumatra, die 3800 M. haalt.

De thans werkende eruptiekegel staat op den O. rand van den ouden krater. Deze is zeer diep, 960 M, met bijna loodrechte wanden en eene doorsnede van slechts 450 à 500 M. De top is geheel kaal.

Door een rug van 1600 M. hoog is de G. Koerintji verbonden met de G. Toedjoeh (2600 M.). De namen der buitenste bergen, (Patah Sembilan = 9 keer afgebroken, Goenoeng Toedjoeh = de zeven bergen), wijzen op de veeltoppigheid dezer reeks. De wijde, zachte hellingen van de Koerintjigroep zijn uitnemend geschikt voor koffiecultuur.

De top van de G. Toedjoeh heeft een kratermeer. Uit een klein