Pagina:Multatuli - Minnebrieven.djvu/41

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


Welnu, Ik zal opstaan, ik zal die uitspraak doen, ik, Fancy!

Want ik heb u lief, u en uwe zaak.

Te vergeefs hebt gij u beroepen op staatslieden en koningen, te vergeefs op Christenen en menschelijk- heid. Koningen houden zich bezig met de gesp van de buikbanden hunner officieren. Koningen hebben geen tijd u te hooren.

Staatslieden drijven handel in stemmen van Kamerleden, en maken verhandelingen waarin „zij zich de vrijheid veroorlooven, zich deze of geene vrijheid te veroorloven[1]." Staatslieden hebben geen tijd u te hooren.

Christenen zijn aan 't twisten over het geloof. Christenen hebben geen tijd u te hooren.

En de menschelijkheid!... Maar schrijf eens een brief aan die menschelijkheid, en zie of hij te regt komt als uw schrijven aan mij, met het eenvoudige opschrift: Fancy! O, 't is niet altijd nadeel vleesch, been en bestaan te hebben. 't Ware te wenschen voor u dat de menschelijkheid pondérabel ware, en adresselijk als ik!

Ik zal opstaan. Ik zal tot den koning gaan. Ik zal u antwoorden. Ik zal u aanhangen. Ik zal u doen overwinnen.

En de kracht tot dit alles... ? Wacht tot volle maan, Max, dan wordt ik geknipt...

Maar vergeef mij intusschen, dat ik maar een meisje ben, en leer mij een en ander, als het waar is ten minste dat gij meer weet dan ik. Ik weet zeer weinig, en dat is natuurlijk,... door al die beddelakens.

Is het waar dat kousenweven is uitgevonden door de liefde ? Hebt ge mij niet lief genoeg om eene machine uit te denken die huishoudt?

Ach, mijne moeder is dood! Er is geen poësie in ons huis. Alles is dor en droog en fatsoenlijk en vervelend.

  1. Fancy citeert.