Pagina:Multatuli - Minnebrieven.djvu/40

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen


toen trilde mij het hart, en ik vloekte 't lot dat mij veroordeelde tot twintig jaren meisje, en levenslang onder 't opzigt van een man!

Want ik ben een meisje!

En wanneer ik dat betreur, dan is 't niet als gij die mij maken wilt tot een ideaal, neen ik wilde een man zijn om te kunnen handelen, om te kunnen optreden als uw kampioen. Ik vraag waarom die mannen zich alles toeëigenen, zich alles aanmatigen? Waarom zij wetten maken in hun voordeel? Waarom zij zich hoofd noemen van 't menschelijk geslacht? En waarom zij lafhartig wegschuilen, als er iets te doen valt, wat men gewoon is, — al weer onregt! — mannelijk te noemen.

Eerst wondde mij uw brief zoo diep, dat ik vreesde te bezwijken. Gij zijt bitter, gij zijt scherp, gij zijt onregt vaardig! Maar ik heb u lief, en de liefde overwint alle dingen.

Als gij eenmaal u hebt vertrouwd gemaakt met het denkbeeld dat ik niet zweef, zult ge u misschien verzoenen met de honderd ponden stof, die mij nu zoo verachtelijk maken in uwe oogen ... en die er heel lief uitzien.

Luister. Gij vraagdet om antwoord in uwen brief aan Ds. Franken. Ge zegt daar:

„koning Van Nederland, Doe Uitspraak Tus- bdie Menschen En Max Havelaar!"

en

„nederlandsche Natie, Sta Op, Ga Tot Hem En „vraag: Is Het Waar, o Koning, Dat Deze Dingen „geschieden In Uw Rijk, In Uw Prachtig Rijk Van „insulindb ?"

Er is niemand opgestaan om dit te vragen aan den Koning.

Natuurlijk, het nageslacht is nog niet geboren. En die Koning heeft geen uitspraak gedaan...