Pagina:Multatuli - Minnebrieven.djvu/47

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


En de broeder deed alzoo, opdat de jonger broeder eten zou.

En de oudste ging naar het veld, en zag eene berggeit, die afdaalde in de laagte, en haar jong zocht.

— Hebt ge niet mijn lam gezien, vraagde zij den leeuw, gij die de vlakten bewoont, en beter dan ik, de wegen kent in het effen veld, zoo vermoeijend voor mij, omdat mijn hoef gespleten is?

— Laat uw jong, uw jong, — uw lam, uw lam, zeide de leeuw, en kom hier, opdat ik u verslinde.

En de leeuw deed alzoo.

Maar de oudste broeder vraagde aan den leeuw:

— Wat is dit, dat gij de geit eet, die haar jong zocht?

— Gij hebt gehoord hoe zij klaagde over de ongeschiktheid harer hoeven, antwoordde de leeuw. Deed ik niet regt haar te eten? Zie mijne klaauwen, die geschikt zijn, zie de geschiktheid van mijne tanden. Daarom at ik de geit.

De jongeling dacht na, en bezag zijne armen, die lang, sterk en forsch waren. Hij vond die zoo geschikt,... dat hij zich voornam zijn jongeren broeder te dwingen tot dienst.

En toen deze hem weder vraagde om vruchten te plukken, antwoordde hij:

— Zie mijne armen. Hebt ge niet gezegd dat de uwe niet reiken tot de granaat? Dien mij, opdat ik u niet verslinde.

Van toen af diende de jongste broeder den ouderen. Maar hij verheugde zich niet over de ontdekking, die deze had te danken aan den leeuw.

En dat is alzoo gebleven tot op dezen dag.