Pagina:Multatuli - Minnebrieven.djvu/49

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen


ja er waren er meer dan alle roovers in 't gansche land zaamgenomen. Hij was zoo goed gewapend en verzeld, dat een geheel leger niet in staat zou zijn, hem zijne rijkdommen te ontnemen.

Vele roovers die dat niet wisten, vielen hem aan, maar zouden daarover lang berouw gehad hebben, als ze niet terstond gesneuveld waren.

Een roover die wijs was geworden door het voorbeeld zijner broederen, raadpleegde een heiligen kluizenaar, die raad wist in alle dingen, omdat hij lang alleen was geweest met twee doodsbeenderen en een kruik water.

— Hoe moet ik doen, o heilige man, om heer te worden over de schatten van dien reiziger?

— Het middel is zeer eenvoudig, antwoordde de vrome heremiet. Werp hem den strik dien ik u geven zal, om den hals, dan zal hij geen weerstand bieden. Hij zal zijnen knechten gelasten zich voor u ter aarde te buigen, en u geven wat gij begeert.

De strik heette „geloof."

En het geschiedde zoo als de heilige man gezegd had. Maar de reiziger en zijne gezellen betonden zich zeer slecht daarbij.

Die strik heeft zijne kracht behouden tot op dezen dag.

Vierde geschiedenis van gezag.

— O vader, zeg mij waarom de zon niet valt?

De vader was beschaamd, wijl hij niet wist waarom de zon niet valt, en hij bestrafte zijn kind, omdat hij beschaamd was.

Het kind vreesde den toorn des vaders, en vraagde nooit weder, noch waarom de zon niet valt, noch andere zaken, die het toch zoo gaarne wilde weten.