Pagina:Noodlot.djvu/108

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

107

die neêrdaalde, als was zij, na met leugens omvangen, geblinddoekt door twijfel, in een labyrinth te zijn rondgevoerd, eensklaps, — bevrijd! — met open oogen, losgelaten in een zwarte ruimte. En zij voelde wel hare ziel leêgbloeden, maar peilde toch nog niet de diepte harer zielewond, en ze dacht, trots hare ontzettende smart, alléen aan al dat donker om haar heen.

— Hoe vreemd! fluisterde ze. Waarom? Waarom dan toch?

—————

XIII.

Na dat alles eene maand van rust. Eene plotseling neêrgevallen kalmte voor beiden, voor beiden gevuld met een stil, zwaar verdriet. En daarboven de onverschilligheid, de banaliteit van het leven met altijd het zelfde, terugkomende, eentonige, dag aan dag...

Ook Bertie ademde thans in zulk eene vreemde atmosfeer van kalmte. Zeer verwonderde hij zich over wat er gebeurd was. Hoe eenvoudig en gemakkelijk was het gegaan. Hij? Neen, hij had niets bewerkt, niets kunnen bewerken: alles was het een uit het ander voortgesproten: het had zoo moeten zijn. En het verschiet van zorgeloosheid deinde zich weêr voor hem uit: eene eeuwigheid van rustig rijk leven naast Frank, in wien hij weêr de oude vriendschap voelde herleven, bijna opvlammend tot eene ziekelijke passie, nu dat Frank, gescheiden van Eve, zichzelven wel veel verweet, maar toch behoefte gevoelde aan mede-