Pagina:Noodlot.djvu/114

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
113

fijnheid zijner hersens geraffineerd, al de genialiteit zijner gedachte gespitst en geslepen, al den invloed zijner zielsvermogens als met batterijen van een geheimzinnig fluïde gericht op het inwendigste liefdeleven eener vrouw! Een enkele brief, een paar bladzijden vol lieve woordjes zoû zijn geheele werk te niet doen! Want, in zijne woede, nu op eens, zag hij het, ten deele met zekeren trots: zag hij het, dat hij, wel degelijk hij, de omstandigheden had geleid om Frank en Eve te scheiden! Hoe had hij er nog een oogenblik aan kunnen twijfelen.

Alles zoû te vergeefs zijn? Zoo mocht het niet zijn! Neen, duizendmaal neen! Ontzettend wijd, als zonder horizont, golfde in éene seconde het perspectief van angst voor hem uit, het verschiet van armoede, eene naakte woestijn, waarin hij verdwalen zoû, van honger omkomen... En in zijne wanhoop om dat verschiet te ontloopen, voelde hij voor het oogenblik al de veeren zijner verslapte wilskracht zich spannen, tot springens toe...

Van dat oogenblik moest hij partij trekken. Eene gedachte flitste door zijn brein, als de zig-zag van een bliksem... Ja, ja, zóó moest hij handelen! Een eenvoudig doeltreffend middel, eene eenvoudige schurkenstreek, zooals conventioneele menschen dat noemen... Geen geraffineerd psychologisch geharrewar meer: dat bracht tot niets, dat verwarde zich in zijn eigen complicaties. Eenvoudig weg een theatertruc...

Hij greep zijn hoed en ging zacht het huis uit, even minachtend lachend, zichzelven bespottend,

Couperus. Noodlot.
8