Pagina:Noodlot.djvu/124

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

123

Waarom zoû ik al die moeite doen en dan, op den koop toe, al dat verdriet hebben? Ik zoû net zoo goed dood kunnen zijn... Zie je: daarom wil ik naar ze toe gaan. En als het dan niet weêr in orde komt, dan maak ik me van kant... ja, ja, dan maak ik me maar van kant...

Verpletterd onder den last van het leven hing hij in zijn stoel, met zijn zenuwtrekkend gelaat, zijne groote ledematen uitgestrekt in hunne nuttelooze spierkracht, ondermijnd door de geheimzinnige zwakte, die er onder knaagde, als met wormen. Maar Bertie was voor hem gaan staan, opgeschroefd in zijne wanhoop-energie; zijne oogen, vol facetten, wisselflitsend op Frank. En hij legde zijne trillende handen op Franks schouders, die hij er breed en massief onder voelde, zwaar van kracht. Eene reactie electrizeerde hem met iets als fierheid: hij voelde minachting voor dien sterken man met zijne jongensliefdesmart. Maar vooral, o vooral, voelde hij zich trekken naar beneden, naar een afgrond toe, en het scheen hem als klampte hij zich met de omkronkelingen van eene woekerplant nu vast aan Frank, aan Franks schouders.

— Frank, begon hij, bijna heesch. Hoor eens goed naar me. Je maakt je eigen ziek, je praat als een gek, je huilt tegenwoordig net als een kind. Het is om er weê van te worden. God, wees toch wat flinker. Verknies je leven toch niet zoo met dat misselijk gejammer. En waarom, waarom dat alles?! Omdat eene vrouw niet meer van je houdt. Stel je in zóó iets dan je hoogste geluk? Het zijn wezens zonder hersens, zonder harten: