Pagina:Noodlot.djvu/16

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
15

wereld. Altijd hetzelfde: een leven als een montagne russe, der op, der af, der op, der af, zonder dat je een oogenblik behoefde te denken; een bestaan, dat voor je gemaakt werd in plaats, dat je het je zelven maakte. Voor het oogenblik had hij nu een doel: Bertie; hij zoû hem helpen, na een paar weken rust eene betrekking of zoo iets voor hem zoeken, maar vooreerst moest hij zich nu maar geen zwaar hoofd maken. Hij was blij, dat hij zijn vriend weêr eens bij zich had. De herinneringen wolkten bij hem op als ijle tooverbeelden, vaalkleurig en sympathiek: herinneringen uit zijn schooltijd, kwâjongensstreken, zwerftochten, bakkeleipartijen in de duinen bij Den Haag: herinnerde Bertie zich? Frank zag den kleinen mageren jongen nog voor zich, getreiterd door groote lummels, beschermd door hem, Frank, wiens vuisten er op neêr beukten, ter wille van zijn vriendje. En later hun studententijd te Delft: Bertie gesjeesd, in eens verdwenen, zonder een spoor na te laten, zelfs niet voor Frank; daarna wat correspondentie, te hooi en te gras; eindelijk jaren van niets. O, hij was blij zijn vriend nu weêr eens bij zich te hebben; véel had hij altijd van Bertie gehouden, juist, omdat Bertie zoo geheel anders was dan hij, met iets als een poes; verzot op gemak en koestering en nu en dan hevig aangedrongen om weg te loopen over daken en goten, zich te bezoedelen met modder, zich te wentelen in vuiligheid, om daarna terug te komen om zich te warmen en te lekken. Hij hield van zijn vriend als van een tweelingbroeder, die geheel verschillend zoû zijn, ingepalmd door Bertie’s