Pagina:Noodlot.djvu/32

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

31

En dan, ik laat de allegorie voor wat ze is en bewonder alleen de poëzie er van.

— Opgesmukte taal... je verdrinkt onder de beelden.

— Dat is de kleur van de Renaissance, wierp Eve tegen. In Elizabeths tijd spraken ze allemaal aan het hof zoo precieus... En Spencers beelden zijn prachtig, ze schitteren als juweelen...

Bertie meende, dat het gesprek zeer geleerd werd, maar hield zijne gedachte voor zich en zeide iets, over de Hel van Dante. Zij waren uitgerust en gingen nu verder, den berg op.

— Mijne dochter is zoo half en half eene esthetische, sprake de oude heer schertsend tot Frank.

Eve lachte heel helder.

— Acht, het is niet waar, papa. Geloof het toch niet, mr... mr. Westhòve, Weet u, hoe papa daaraan komt? Een paar jaar geleden, toen ik pas van kostschool kwam, ben ik met een paar vriendinnen heel dwaas geweest, een tijdje lang. We friseerden ons haar tot ragebollen, kleedden ons in slappe gewaden van damast en brokaat met kolossale pofmouwen en zaten bij elkaar dwaasheden te debiteeren over kunst. We hielden dan eene zonnebloem of een pauweveêr heel gracieus in onze blanke vingertjes en waren allerdolst... Daarom zegt papa dat. Maar nu ben ik heusch zoo dwaas niet meer: ik hoû alleen veel van lezen en is dat nu zoo "esthetisch"?

En glimlachend zag zij Frank met hare vrijmoedige, heldergrijze oogen aan en haar flink, beslist stemmetje klonk als eene apologie, als vroeg zij