Pagina:Noodlot.djvu/40

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

39

gezicht, zoodat ze moesten rennen om hem in te halen. Eve schaterend als een schelletje en het betreurend, dat ze er zooveel moesten laten staan, zulke heerlijke groote!

— Misschien zijn er wel veel bij de hut! troostte Frank.

— Zoû u denken? riep Eve en helder op lachend:

— O, wat zijn we toch kinderen! Wat zijn we toch kinderen!

De weg was breeder geworden, zij stegen dus gemakkelijker de hoogte op, dikwijls de kronkeling van het pad verlatend en de rotsen opklauterend om er gauwer te zijn. Eensklaps hoorden zij een luid geroep, en zij zagen naar boven en bespeurden Sir Archibald staande op de steenmassa, waarin de weêrhaan geplant was en wuivende met zijne reispet. Zij repten zich en weldra hadden ook zij de hut bereikt. Eve bonsde op de gesloten deur.

— De hut is gesloten! riep Sir Archibald.

— Hoe dwaas! sprak Eve. Waarom staat ze er dan, als ze gesloten is! En woont er niemand in?

— Wel neen, niemand! sprak Sir Archibald, alsof dit de natuurlijkste zaak ter wereld was.

Maar Frank hielp Eve de steenen rondom den weêrhaan beklimmen en zij zagen nu uit, naar het panorama beneden hen.

— Het is mooi, maar treurig! sprak Eve.

Het lange fjord lag recht voor hen, als een ranke reep wazig stil water, omketend door zijne, in regenmist weggrijzende, bergen. In dien mist waren zij als doorschijnend, schimmen van bergen gelijk, vaag van lijn, Lauparen en Vengetinder, Troltinder en Romsdalhorn, hoog optreurend in