Pagina:Noodlot.djvu/41

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

40

de nijdig fronsende lucht, die, door stortregen opgezwollen, vuilzwarte wolken langs hunne koppen voortslierde en in het zwijgende water eene donkere schaduw neêrsloeg. En de bergen weenden, als ijle roerlooze spoken, somber droevig en tragisch onder eene ontzachlijke, bovenmenschelijke smart: een leed van reuzen en azen; het fjord, met zijn stadje, — wat groezelige vlakjes van dakjes en huizen, en het vaalwitte châlet van het Grand-Hôtel — het weende, roerloos onder de zwarte afspiegeling van de lucht: eene spectrale kilheid rees uit de kom van het fjord op naar die drie menschen in de hoogte, niets, verloren in het tastbare waas van den nevel, die zwaar op hunne oogleden zonk. De regen viel niet neêr, maar scheen slechts als vocht af te sijpelen uit het zwarte floers der wolken, die nog niet scheurden en in het westen tusschen twee bergen, die zich openden om een streepje van den oceaan te laten doorschemeren, trilde iets bleekgouds en vaalrozigs, nauwelijks een paar lijntjes roze en een tikje goud: de aalmoes van een zonsondergang....

Zij wisselden nauwelijks één woord, gedrukt door die bovenmenschelijke treurigheid, die als mist om hen heen weende. Toen Eve eindelijk sprak, scheen haar anders zoo helder geluid als van verre te komen, door een gaas.

— Kijk, daar is een beetje zon, over de zee... Men smacht hier naar de zon... O, ik woû, dat de zon even doorbrak... Het is hier zoo treurig, zoo treurig!.... Wat kan ik me goed Oswalds klacht begrijpen in "Gespenster", als hij krankzinnig wordt: De zon! De zon! Men zoû hier