Pagina:Noodlot.djvu/53

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

52

sche slechtheid gelijk, dat raadselachtig voor hem staan bleef. En het zag hem aan met oogen als van eene sibylle, als van een sfinx, en rondom de reusachtige boosheid van het beeld, zonken zijne vorige overmijmeringen weg in een afgrond: de doodendans der jaren, de aaneenschakeling der noodlottigheden en zijne vervloekingen tegen dat alles.... Het verzonk en alleen het beeld bleef, als een spook, bijna tastbaar en bijna zichtbaar opdoemend tegen den zwijmenden gloed van het stervende vuur in de duisterende kamer. En de somber vragende blik van het beeld hypnotiseerde hem en zijn instinct sluimerde onder het verpletterende gewicht er van in... Vriendschap? Dankbaarheid? Woorden!

Er was niets dan conventie en... armoede. En dan — was er dat beeld, dáár, vóór het vuur, vóór zijne vergroote, starre pupillen, versteend, tot een opdoemsel van zwijgend, aanstarend en helsch magnetisme.




II.


Dien nacht, — hij zag Frank niet meer, want Frank was blijven dineeren bij de Rhodes’ — sliep hij niet in, opgezweept door de wildste gedachten. Romantische voornemens zwierden door zijne koortsachtige verbeelding heen, zonderlinge stemmen gonsden aan zijne ooren, die suisden als schelpen der zee... En hij zag zichzelven met Eve, zittende in eene cab: zij reden door de somberste en smerigste van Londens achterbuurten;